DOMEIN A - ALGEMENE VAARDIGHEDEN
Als je moet rekenen wat iemand per maand verdiend, reken dan per jaar.
Bv: iemand verdient 50 euro per week
→ 50 x 52 = 2600 euro per jaar
→ is 216,67 euro per maand
Procenten, procentpunten en promilles
Indexcijfers
Positieve en negatieve verbanden:
- Min en plus in een figuur
- Negatief verband = als de ene af neemt de ander toe
- Positief verband = als het ene toe neemt, neemt de ander ook toe
,DOMEIN D - MARKT
(Vraag en aanbod / marktstructuren)
Concrete markt = plaats waar vragers en aanbieders elkaar echt ontmoeten
Abstracte markt = geheel van de vraag naar en aanbod van een bepaald product (bv
huizenmarkt)
Betalingsbereidheid = het maximale bedrag dat een vrager voor iets wil betalen.
Individuele vraaglijn = de lijn die het verband weergeeft tussen de prijs van een product en
de gevraagde hoeveelheid door één consument.
Collectieve vraaglijn = geeft het verband weer tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid
van een product door alle consumenten samen. Bij een monopolist is deze lijn tevens de
prijsafzetlijn.
Individuele aanbodlijn = het verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid van een
producent.
Collectieve aanbodlijn = de collectieve aanbodlijn geeft grafisch het verband weer tussen de
prijs van een goed en de door alle individuele aanbieders aangeboden totale hoeveelheid
van dat goed.
Verschuiven van collectieve vraaglijn (evenwijdig):
Als de voorkeur naar een bepaald product afneemt, als het inkomen daalt, en als de prijzen
van andere producten dalen, verschuift de collectieve vraaglijn van dat product naar links.
Als de voorkeur toeneemt, het inkomen stijgt, en de prijzen van andere producten stijgen,
verschuift de collectieve vraaglijn van dat product naar rechts.
Verschuiven van collectieve aanbodlijn (evenwijdig):
Als de arbeidsproductiviteit stijgt (en dus de kosten per product dalen), de kosten van
arbeid/kapitaal dalen en als het aantal aanbieders toeneemt, verschuift de collectieve
aanbodlijn naar rechts.
Prijselasticiteit van de vraag (Ev) = geeft aan hoe sterk de vraag naar een product verandert
wanneer de prijs verandert.
Formule: procentuele verandering van afzet Q / procentuele verandering van prijs P
-1 < Ev < 0 = inelastisch
< -1 = elastisch
Ev = 0 = geen elasticiteit
Elastisch = de vraag reageert meer dan evenredig op een daling of stijging van de prijs
Inelastisch = de vraag reageert hier niet op
Ezelsbrug formule: QuarterPounder dus Q/P
Inkomenselasticiteit (Ey) = gaat over de reactie van de gevraagde hoeveelheid van een
product op een verandering van het besteedbaar inkomen.
Formule: procentuele verandering van afzet Q / procentuele verandering van inkomen I
0 < Ey < 1 = primair goed (noodzakelijk).
Ey > 1 = luxe goed (niet noodzakelijk).
Ey < 0 = inferieur goed (goederen waarbij je bij een inkomensstijging minder koopt).
Normale goederen hebben een positieve Ey.
, Kruislingse prijselasticiteit = gaat over verandering van vraag naar product A en B.
Formule: procentuele verandering van afzet product A / procentuele verandering van prijs
product B
Ek > 0 = substitutiegoed (goederen die elkaar kunnen vervangen).
Ek < 0 = complementair goed (goederen die elkaar aanvullen, bv schoenen en veters).
Totale kosten bestaan uit:
Variabele kosten = kosten die toe- of afnemen bij een verandering in de productie- of
verkoopomvang zoals grondstofkosten of verpakkingskosten.
Constante kosten = kosten die niet veranderen als er meer of minder wordt geproduceerd
Marginale kosten = de extra kosten als de productie met één product wordt uitgebreid.
Marginale opbrengst = de extra opbrengst als de productie (en afzet) met één product wordt
uitgebreid.
Gemiddelde kosten = de kosten per product. Je berekent de gemiddelde kosten door de
totale kosten te delen door de productieomvang.
Break-evenafzet = de afzet waarbij de onderneming quitte speelt.
Berekenen break-even afzet: vaste kosten / (verkoopprijs – verkoopkosten)
Break-evenomzet = de omzet waarbij de totale opbrengst gelijk is aan de totale kosten.
Break-evenpunt = het punt waar de lijn van de totale opbrengst de lijn van de totale kosten
snijdt (To = Tk of Go = Gtk).
Marktevenwicht = de situatie waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Er komt één
prijs tot stand, de evenwichtsprijs.
Evenwichtshoeveelheid = het aantal producten dat bij de evenwichtsprijs wordt aangeboden
en wordt gevraagd. De gevraagde hoeveelheid is dan gelijk aan de aangeboden
hoeveelheid.
Handige formules bij berekeningen:
- TO = P x Q
- TK = Q x GTK OF TVK + TCK
- TVK = Q x GVK
- TCK = Q x GCK
- TW = TO - TK OF Q x (P-GTK)
- GTK = TK/Q OF GVK + GCK
- GCK = TCK / Q
- GVK = TVK/Q
- GW = TW / Q OF GO - GTK
- GO (P en MO) = TO/Q
- Max totale winst: MO = MK
- MK= TK’ en MO = TO’
- Omzet bereken = P x QV
- Maximale totale omzet: MO = 0
- Break even punt: TO = TK OF GO = GTK
Als je moet rekenen wat iemand per maand verdiend, reken dan per jaar.
Bv: iemand verdient 50 euro per week
→ 50 x 52 = 2600 euro per jaar
→ is 216,67 euro per maand
Procenten, procentpunten en promilles
Indexcijfers
Positieve en negatieve verbanden:
- Min en plus in een figuur
- Negatief verband = als de ene af neemt de ander toe
- Positief verband = als het ene toe neemt, neemt de ander ook toe
,DOMEIN D - MARKT
(Vraag en aanbod / marktstructuren)
Concrete markt = plaats waar vragers en aanbieders elkaar echt ontmoeten
Abstracte markt = geheel van de vraag naar en aanbod van een bepaald product (bv
huizenmarkt)
Betalingsbereidheid = het maximale bedrag dat een vrager voor iets wil betalen.
Individuele vraaglijn = de lijn die het verband weergeeft tussen de prijs van een product en
de gevraagde hoeveelheid door één consument.
Collectieve vraaglijn = geeft het verband weer tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid
van een product door alle consumenten samen. Bij een monopolist is deze lijn tevens de
prijsafzetlijn.
Individuele aanbodlijn = het verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid van een
producent.
Collectieve aanbodlijn = de collectieve aanbodlijn geeft grafisch het verband weer tussen de
prijs van een goed en de door alle individuele aanbieders aangeboden totale hoeveelheid
van dat goed.
Verschuiven van collectieve vraaglijn (evenwijdig):
Als de voorkeur naar een bepaald product afneemt, als het inkomen daalt, en als de prijzen
van andere producten dalen, verschuift de collectieve vraaglijn van dat product naar links.
Als de voorkeur toeneemt, het inkomen stijgt, en de prijzen van andere producten stijgen,
verschuift de collectieve vraaglijn van dat product naar rechts.
Verschuiven van collectieve aanbodlijn (evenwijdig):
Als de arbeidsproductiviteit stijgt (en dus de kosten per product dalen), de kosten van
arbeid/kapitaal dalen en als het aantal aanbieders toeneemt, verschuift de collectieve
aanbodlijn naar rechts.
Prijselasticiteit van de vraag (Ev) = geeft aan hoe sterk de vraag naar een product verandert
wanneer de prijs verandert.
Formule: procentuele verandering van afzet Q / procentuele verandering van prijs P
-1 < Ev < 0 = inelastisch
< -1 = elastisch
Ev = 0 = geen elasticiteit
Elastisch = de vraag reageert meer dan evenredig op een daling of stijging van de prijs
Inelastisch = de vraag reageert hier niet op
Ezelsbrug formule: QuarterPounder dus Q/P
Inkomenselasticiteit (Ey) = gaat over de reactie van de gevraagde hoeveelheid van een
product op een verandering van het besteedbaar inkomen.
Formule: procentuele verandering van afzet Q / procentuele verandering van inkomen I
0 < Ey < 1 = primair goed (noodzakelijk).
Ey > 1 = luxe goed (niet noodzakelijk).
Ey < 0 = inferieur goed (goederen waarbij je bij een inkomensstijging minder koopt).
Normale goederen hebben een positieve Ey.
, Kruislingse prijselasticiteit = gaat over verandering van vraag naar product A en B.
Formule: procentuele verandering van afzet product A / procentuele verandering van prijs
product B
Ek > 0 = substitutiegoed (goederen die elkaar kunnen vervangen).
Ek < 0 = complementair goed (goederen die elkaar aanvullen, bv schoenen en veters).
Totale kosten bestaan uit:
Variabele kosten = kosten die toe- of afnemen bij een verandering in de productie- of
verkoopomvang zoals grondstofkosten of verpakkingskosten.
Constante kosten = kosten die niet veranderen als er meer of minder wordt geproduceerd
Marginale kosten = de extra kosten als de productie met één product wordt uitgebreid.
Marginale opbrengst = de extra opbrengst als de productie (en afzet) met één product wordt
uitgebreid.
Gemiddelde kosten = de kosten per product. Je berekent de gemiddelde kosten door de
totale kosten te delen door de productieomvang.
Break-evenafzet = de afzet waarbij de onderneming quitte speelt.
Berekenen break-even afzet: vaste kosten / (verkoopprijs – verkoopkosten)
Break-evenomzet = de omzet waarbij de totale opbrengst gelijk is aan de totale kosten.
Break-evenpunt = het punt waar de lijn van de totale opbrengst de lijn van de totale kosten
snijdt (To = Tk of Go = Gtk).
Marktevenwicht = de situatie waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Er komt één
prijs tot stand, de evenwichtsprijs.
Evenwichtshoeveelheid = het aantal producten dat bij de evenwichtsprijs wordt aangeboden
en wordt gevraagd. De gevraagde hoeveelheid is dan gelijk aan de aangeboden
hoeveelheid.
Handige formules bij berekeningen:
- TO = P x Q
- TK = Q x GTK OF TVK + TCK
- TVK = Q x GVK
- TCK = Q x GCK
- TW = TO - TK OF Q x (P-GTK)
- GTK = TK/Q OF GVK + GCK
- GCK = TCK / Q
- GVK = TVK/Q
- GW = TW / Q OF GO - GTK
- GO (P en MO) = TO/Q
- Max totale winst: MO = MK
- MK= TK’ en MO = TO’
- Omzet bereken = P x QV
- Maximale totale omzet: MO = 0
- Break even punt: TO = TK OF GO = GTK