Cellen en weefsel samenvatting H.12
Eukaryoten cellen hebben membraan compartimenten om:
Verschillende processen te scheiden
De membraan oppervlakte te vergroten
Cytosol: vloeistof zonder organellen.
Cytoplasma: vloeistof met organellen.
In eukaryotische cellen heb je verschillende soorten transport:
Moleculair transport
Diffusie in membranen
Diffusie in cytosol
Diffusie tussen cytosol en kern
(beveiligd transport)
Eiwit translocatie: over een
membraan
Vesiculair transport: budding en
fusie van blaasjes (blaasjes stomen
vol en leeg door diffusie):
Passief: diffusie
Actief: cytoskelet
Of eiwitten naar de
goede locatie te brengen
wordt gebruik gemaakt
van signaal sequenties:
Import kern: positief
Export kern: hydrofoob
Import mito: positief
Import plastid: hydrofiel
Import per: mix
Import ER: hydrofoob
Rertun ER: mix
De meeste organellen zijn worden niet de novo gemaakt, maar
groeien, delen en scheiden tussen dochtercellen.
Transport door nuclear pores (gated transport)
, De kern is onderdeel van het ER. De poriën zijn er om erdoorheen te gaan. De nucleaire
lamina zorgt ervoor dat de kern niet uit elkaar splashed want alle chromatine zitten er heel
dicht ingepakt in.
De poriën bestaan uit 8 subunits. Verschillende
moleculen kunnen verschillende erdoor heen:
Moleculen <5 kD diffunderen vrij
Eiwitten <60 kDa kunnen erdoor heen m.b.v.
passieve diffusie
>60 kDa moeten er actief doorgeen worden
getransporteerd.
De import signaal sequentie bestaat uit vooral positief geladen aminozuren. Deze aminozuren
kunnen overal in het eiwit zitten, maar moeten we aan de oppervlakte zitten. De eiwitten
hoeven niet ontvouwen te worden voordat ze naar binnen gaan. Als je één aminozuur
verandert, en je haalt de lading weg, dan zie je dat eiwit opeens in het cytosol zitten i.p.v. in
de kern sequentie dus erg belangrijk.
Importins: nucleaire import receptoren. Verschillende cargo eiwitten binden aan
verschillende importins. Dit kan zowel direct (A) als indirect (B) zijn. De importins binden
aan de NLS (nucleair Localization signal) van de cargo eiwitten. De importins binden ook aan
FG (Phe en Gly) herhalingen in nucleoporins. Beide bindingen hebben een lage affiniteit
waardoor er directe diffusie import is.
Er is GTP nodig voor de
import/export van de kern. De regulator hiervan in het Ran-eiwit. De receptor bindt aan de
Eukaryoten cellen hebben membraan compartimenten om:
Verschillende processen te scheiden
De membraan oppervlakte te vergroten
Cytosol: vloeistof zonder organellen.
Cytoplasma: vloeistof met organellen.
In eukaryotische cellen heb je verschillende soorten transport:
Moleculair transport
Diffusie in membranen
Diffusie in cytosol
Diffusie tussen cytosol en kern
(beveiligd transport)
Eiwit translocatie: over een
membraan
Vesiculair transport: budding en
fusie van blaasjes (blaasjes stomen
vol en leeg door diffusie):
Passief: diffusie
Actief: cytoskelet
Of eiwitten naar de
goede locatie te brengen
wordt gebruik gemaakt
van signaal sequenties:
Import kern: positief
Export kern: hydrofoob
Import mito: positief
Import plastid: hydrofiel
Import per: mix
Import ER: hydrofoob
Rertun ER: mix
De meeste organellen zijn worden niet de novo gemaakt, maar
groeien, delen en scheiden tussen dochtercellen.
Transport door nuclear pores (gated transport)
, De kern is onderdeel van het ER. De poriën zijn er om erdoorheen te gaan. De nucleaire
lamina zorgt ervoor dat de kern niet uit elkaar splashed want alle chromatine zitten er heel
dicht ingepakt in.
De poriën bestaan uit 8 subunits. Verschillende
moleculen kunnen verschillende erdoor heen:
Moleculen <5 kD diffunderen vrij
Eiwitten <60 kDa kunnen erdoor heen m.b.v.
passieve diffusie
>60 kDa moeten er actief doorgeen worden
getransporteerd.
De import signaal sequentie bestaat uit vooral positief geladen aminozuren. Deze aminozuren
kunnen overal in het eiwit zitten, maar moeten we aan de oppervlakte zitten. De eiwitten
hoeven niet ontvouwen te worden voordat ze naar binnen gaan. Als je één aminozuur
verandert, en je haalt de lading weg, dan zie je dat eiwit opeens in het cytosol zitten i.p.v. in
de kern sequentie dus erg belangrijk.
Importins: nucleaire import receptoren. Verschillende cargo eiwitten binden aan
verschillende importins. Dit kan zowel direct (A) als indirect (B) zijn. De importins binden
aan de NLS (nucleair Localization signal) van de cargo eiwitten. De importins binden ook aan
FG (Phe en Gly) herhalingen in nucleoporins. Beide bindingen hebben een lage affiniteit
waardoor er directe diffusie import is.
Er is GTP nodig voor de
import/export van de kern. De regulator hiervan in het Ran-eiwit. De receptor bindt aan de