Funbio samenvatting H.21
Evolutie is de geleidelijke verandering in populaties door overerving met variatie en
natuurlijke selectie. In de 19e eeuw kwam Charles Darwin met 3 observaties:
The unity of life (the many shared characteristics) meest zichtbaar op moleculair level
The diversity of life
The match between organisms and their environments.
In zijn boek ‘the Origin of Species’ probeerde Darwin te verklaren hoe dit mogelijk kon zijn.
Voor en na Darwin hebben ook andere mensen zich gebogen over deze verschijnselen.
Aristoteles (384-322 v.C.) zag soorten als onveranderlijk. Dit idee kwam overeen met het
oude testament waarin in stond dat god elke soort onafhankelijk heeft gecreëerd. In de 18e
eeuw vonden veel wetenschappers dit ook, waaronder Linnaeus (1707-1778). In deze tijd
werd ook veel onderzoek gedaan naar fossielen. Een van de grondleggers van de
paleontologie, de studie naar fossielen, was Cuvier (1769-1932). Hij zag dat hoe verder je in
de bodem ging, hoe meer de dieren af weken van het hedendaagse leven. Ook zag hij dat
soms soorten ontstaan of verdwijnen. Cuvier ontkende wel het idee van evolutie.
In de 18e eeuw kwamen er wel onderzoekers (zoals Hutton en Lyell) die zeiden dat het leven
evolueert als er mileuveranderingen plaatsvinden, maar alleen Lamarck had een mechanisme
hoe de soorten evolueerde over tijd. Lamarck vond twee principes: use and disuse (de delen
van het lichaam die meer gebruikt werden, werden groter en visa versa) en inheritance of
acquired characteristics (een individu geeft deze ‘handige’ eigenschappen door aan zijn
nakomeling). Vandaag de dag weten we dat deze principes niet kloppen, maar Lamarck gaf
wel de inspriratie voor de theorie van Darwin.
Tijdens een reis op een schip (the beagle) ontdekte
Darwin adaptaties: overgeërfde eigenschappen
van organismes die hun kan op overleven en
reproductie verbeteren in een specifieke omgeving.
In het boek dat Darwin schreef kwam hij met het
idee van natuurlijke selectie: een proces waarin
individuele organismes met bepaalde overerfelijke
eigenschappen beter overleven, en daarmee dus
meer nakomelingen produceren, dan andere
individuele door die bepaalde eigenschappen.
Darwin was in zijn boek heel voorzichtig met dingen beweren. Eerst legde hij het proces van
artificial selection (kunstmatige selectie) uit. Hierin hebben mensen zelf soorten
gemodificeerd door te selecteren en te fokken op eigenschappen die gewild waren. Darwin
veronderstelde dat dat proces ook in de natuur gebeurde. Belangrijkste kenmerken natuurlijke
selectie:
Een proces waarin individuele organismes met bepaalde overerfelijke eigenschappen beter
overleven, en daarmee dus meer nakomelingen produceren, dan andere individuele door
die bepaalde eigenschappen
Over tijd kan door natuurlijke selectie de frequentie van gunstige adaptaties toenemen.
Als het milieu verandert, dan kan natuurlijke selectie zorgen voor adaptaties aan deze
nieuwe omstandigheden en daarmee voor de vorming van een nieuwe soort.
Individuele organismes evolueren niet!
Evolutie is de geleidelijke verandering in populaties door overerving met variatie en
natuurlijke selectie. In de 19e eeuw kwam Charles Darwin met 3 observaties:
The unity of life (the many shared characteristics) meest zichtbaar op moleculair level
The diversity of life
The match between organisms and their environments.
In zijn boek ‘the Origin of Species’ probeerde Darwin te verklaren hoe dit mogelijk kon zijn.
Voor en na Darwin hebben ook andere mensen zich gebogen over deze verschijnselen.
Aristoteles (384-322 v.C.) zag soorten als onveranderlijk. Dit idee kwam overeen met het
oude testament waarin in stond dat god elke soort onafhankelijk heeft gecreëerd. In de 18e
eeuw vonden veel wetenschappers dit ook, waaronder Linnaeus (1707-1778). In deze tijd
werd ook veel onderzoek gedaan naar fossielen. Een van de grondleggers van de
paleontologie, de studie naar fossielen, was Cuvier (1769-1932). Hij zag dat hoe verder je in
de bodem ging, hoe meer de dieren af weken van het hedendaagse leven. Ook zag hij dat
soms soorten ontstaan of verdwijnen. Cuvier ontkende wel het idee van evolutie.
In de 18e eeuw kwamen er wel onderzoekers (zoals Hutton en Lyell) die zeiden dat het leven
evolueert als er mileuveranderingen plaatsvinden, maar alleen Lamarck had een mechanisme
hoe de soorten evolueerde over tijd. Lamarck vond twee principes: use and disuse (de delen
van het lichaam die meer gebruikt werden, werden groter en visa versa) en inheritance of
acquired characteristics (een individu geeft deze ‘handige’ eigenschappen door aan zijn
nakomeling). Vandaag de dag weten we dat deze principes niet kloppen, maar Lamarck gaf
wel de inspriratie voor de theorie van Darwin.
Tijdens een reis op een schip (the beagle) ontdekte
Darwin adaptaties: overgeërfde eigenschappen
van organismes die hun kan op overleven en
reproductie verbeteren in een specifieke omgeving.
In het boek dat Darwin schreef kwam hij met het
idee van natuurlijke selectie: een proces waarin
individuele organismes met bepaalde overerfelijke
eigenschappen beter overleven, en daarmee dus
meer nakomelingen produceren, dan andere
individuele door die bepaalde eigenschappen.
Darwin was in zijn boek heel voorzichtig met dingen beweren. Eerst legde hij het proces van
artificial selection (kunstmatige selectie) uit. Hierin hebben mensen zelf soorten
gemodificeerd door te selecteren en te fokken op eigenschappen die gewild waren. Darwin
veronderstelde dat dat proces ook in de natuur gebeurde. Belangrijkste kenmerken natuurlijke
selectie:
Een proces waarin individuele organismes met bepaalde overerfelijke eigenschappen beter
overleven, en daarmee dus meer nakomelingen produceren, dan andere individuele door
die bepaalde eigenschappen
Over tijd kan door natuurlijke selectie de frequentie van gunstige adaptaties toenemen.
Als het milieu verandert, dan kan natuurlijke selectie zorgen voor adaptaties aan deze
nieuwe omstandigheden en daarmee voor de vorming van een nieuwe soort.
Individuele organismes evolueren niet!