Sociale ongelijkheid
1 Sociale ongelijkheid: een sociologische kijk
1.1 Een aantal feiten over (inkomens)ongelijkheid
DIA 13 - Inkomensongelijkheid in OESO-landen
- Weergave van de gini-coëfficient
- BE heeft een zo goed als stabiele ongelijkheid + staat vrij laag, een vd gelijkste landen
- Scandinavische landen doen het beter dan BE, maar stijgen ook
- Ongelijkheid verschilt per land en verandert doorheen de tijd
- US stijgt enorm
DIA 14 - Gini-coëfficient
- Economische maat van ongelijkheid
- Een maat tss 0 en 1
- 0 = geen ongelijkheid, perfecte gelijkheid
- 1 = ongelijkheid
- Lorenz-curve: de 1% rijksten
DIA 15 - Verdeling van belastbaar inkomen in België (2012)
- Decielen
- Allerlaagste inkomens = deciel 1
- Allerhoogte inkomst = deciel 10
- Ieder deciel = 10% vd bevolking
- Belastbaar inkomen = inkomen waar sociale zekerheidsbijdragen al vanaf zijn getrokken
- Een enorm verschil tss het laagste deciel en het hoogste
- Geen ongelijkheid = elk deciel heeft 10% vh belastbaar inkomen
- Belastingstarief: hoogste deciel betaalt meer belasting, laagste deciel heeft een negatief aangezien ze geld krijgen ipv moeten
afgeven, ze dragen niet bij aan de belastingen
- progressief belastingssyteem
- De 10% rijksten betalen bijna de helft vd belastingen in BE
DIA 16 - Belastbaar inkomen: Focus op supperrijken (2012)
- Ook ongelijkheid tussen de 10% rijksten
- De 1% allerrijlsten hebben manieren om belastingen op hun inkomen te vermijden ( Bv. vennootschappen, bedrijfbelastingen)
maar betalen nog steeds een vrij groot aandeel vd belastingen in BE
DIA 17 - Ongelijkheid (Gini) volgens inkomensbron (2013)
- Transfers, inkomensvervangende bedragen dalen de inkomensongelijkheid (in BE is dit een serieuze daling)
- Door pensioen daalt de inkomensongelijkheid in alle landen
- Zuid-Europese landen zoals Spanje, Italië en Griekenland: herverdeelt via pensioen, maar daarnaast zijn er weinig of lage
andere vervangingsinkomens
DIA 18 - Bruto maandloon van voltijdse werknemers volgens geslacht, regio en onderwijs (2012)
- Verschil man en vrouw: vrouwen werken minder voltijds
- BXL: pendelaars verdienen veel, maar de inwoners van BXL zijn eerder arm
- Onderwiijsdiploma is zeer bepalend voor het inkomen
DIA 19 - Vermogens-ongelijkheid
- Kunnen gezinnen in armoede terugvallen op vermogen?
- Boxplot
- Zwarte diamant = het gemiddelde (gevoelig voor extremen)
- Wit streepje = mediaan (minder gevoelig voor extremen)
- Laagste deciel hebben weinig vermogen
o de mediaan ligt zelfs tot 0, de helft of meer heeft geen vermogen
o het gemiddelde ligt hoger omwille van het bezit van een eigen woning ipv het huren van een woning
o het vermogen van een woning is niet inzetbaar: als de woning het enige vermogen is kunnen ze hier niet op
terugvallen
o naarmate de decielen opschuvien, schuift het gemiddelde vermogen ook op
1
,Sociale ongelijkheid
1.2 Wat is sociale ongelijkheid? Een (voorlopige) definitie
Sociale ongelijkheid verwijst naar ongelijke verdeling van schaarse maar maatschappelijk gewaardeerde
middelen ( Bv. geld, toegang tot diensten & kennis, erkenning, macht) en de ongelijke behandeling van
individuen en groepen op basis van hun sociale positie.
Voorlopige definitie: uit te werken o Bv. sociologische theorie & empirisch onderzoek
Sociologische visie op ongelijkheid
• Specificiteit van sociologische blik op ongelijkheid
• Ongelijkheid gaat niet enkel over (graduele) verdeling van middelen over individuen (economen), maar
over maatschappelijke verhoudingen tussen sociale groepen sociologen kijken ook naar de
groepsdynamiek
• Maatschappelijke positie van 2 groepen, de verhouding tss deze 2, maatschappelijke verhouding van
groepen Ongelijkheid wordt niet geanalyseerd vanuit individuele posities & capaciteiten, maar vanuit
sociale posities die mensen in samenleving innemen
• De ongelijkheid verklaren vanuit de verhouding tussen groepen en de sociale positie die deze innemen
in de sml
Sociale posities worden ge(re-)produceerd door maatschappelijke organisatie van economie, verdeling van
maatschappelijke waardering, en organisatie van politieke besluitvorming.
Ongelijkheid heeft gevolgen voor:
• individuele levenskansen ( Bv. hoog of laag inkomen)
• én maatschappij als geheel ( Bv. ongelijke samenlevingen hebben vaak een hogere graad van
criminaliteit, onderling vertrouwen, publieke ruimte…)
1.3 Sociale ongelijkheid als sociaal probleem
• Sociale ongelijkheid bijna even oud als samenleving zelf, maar lange tijd niet als sociaal probleem
beschouwd
• Situaties niet inherent of vanzelfsprekend problematisch, maar sociaal geconstrueerd als probleem
o Objectieve conditie op zich onvoldoende om tot sociaal probleem te maken
o Ook subjectieve dimensie nodig: als probleem beschouwd
o We moeten kunnen verklaren wrm een ongelijke verdeling als een probleem gezien wordt, de
kenmerken (objectieve conditie) enkel zijn niet genoeg
o Pas dan wordt situatie een ‘sociaal probleem’ (en komt het op agenda van politiek,
beleidsmakers, onderzoekers & breder publiek)
• Iets is een probleem zodra er bepaalde groepen in de sml zijn die het als een probleem beschouwen
• Pas sociaal probleem na sociaal proces
Sociale ongelijkheid wordt pas een sociaal probleem bij discrepantie tussen:
• Objectieve conditie ( Bv. gebrekkige inkomens, ongelijke onderwijskansen of toegang tot
gezondheidszorg)
• En bepaalde maatschappelijk gedeelde waarden ( Bv. menselijke waardigheid, empathie, gelijkheid)
• Als dysfunctioneel of ononvaarbaar gezien door ‘relevante groepen’ in samenleving (het moet
gedragen worden door groepen die een invloed hebben op de maatschappij)
• Én indien beschouwd als ‘aan te pakken’ op maatschappelijk niveau
Armoede als sociaal probleem
2
,Sociale ongelijkheid
• Ongelijkheid (o.a.) geproblematiseerd door historisch veranderende ideeën over armoede:
• tot 18e eeuw werd armoede niet gezien als sociaal probleem waar de maatschappij verantwoordelijk
voor is. Het is een individueel probleem
• 16e tot 18e eeuw: mercantilisme beschouwt armoede als goed
o Mercantilisme = economische filosofie gericht op maximalisatie export door goedkope input
(i.e. arbeidskracht)
o Armoede garandeert goedkope & gehoorzame arbeidskrachten
o Een deel vd bevolking arm houden, om zo arbeidskrachten te kunnen behouden
o Door de goedkope arbeidskrachten wordt de rest rijk
Onderwijs voor brede bevolking gezien als verspilling, want ontmoedigt inzet van arbeid
• Het onderwijs brengt rare ideeën zoals protesten
• Mensen moeten werken ipv bijleren en beseffen welke rechten ze zouden kunnen hebben Bv.
“To make the Society happy and people easy under the meanest circumstances, it is requisite that great
numbers of them should be ignorant as well as poor.” (de Mandeville, 1732)
• Beperkte rol overheid in sociale bescherming, vnl. tijdelijke bescherming bij tegenslagen (mislukte
oogsten & pandemie)
• Armoede gezien als gevolg van ‘morele zwakte’ van armen (alcohol, niet sparen, scheiding, foute
keuzes vh individu…) eerder dan Bv. werkloosheid dwangarbeid als oplossing, zo ze aanleren dat een
‘goede burger’ werkt
Eerste ‘Armoedeverlichting’ andere visie op maatschappij
Ontwikkeling van morele argumenten voor overheid om armoede te bestrijden (maar nog weinig actie tegen
armoede)
Verlichting veranderde ideeën van burgers in Europa:
• ‘Wil van God’ of ‘de natuur’ steeds minder aanvaard als verklaringen voor fenomenen en ordening
samenleving
• Samenleving is mensenwerk: oorzaken van maatschappelijke fenomenen in manier waarop mensen
samenleving organiseren
• Samenleving kan worden begrepen & gecontroleerd en daardoor ook veranderd
Eind 18e eeuw: nieuwe visie op mensen in armoede
Immanuel Kant:
• Mens is een doel in zichzelf, nooit middel tot ander doel.
• Mensen hebben waarden op zichzelf, ze zijn niet enkel waardevol omdat ze arbeidskrachten geven
• Armen hebben dezelfde morele waarde als rijken.
Adam Smith:
• Welvaart niet bepaald door handelsbalans (cf. mercantilisme) maar door wat burgers van een land
bezitten
• Een welvarend land = een land met bezittende burgers
• Armoede reduceren niet als bedreiging, maar als doel van economische ontwikkeling
3
, Sociale ongelijkheid
Rousseau:
• Armoede is deels gevolg van problematische instituties in samenleving
• Eigendomsrecht is een maatschappelijke verhouding/institutie, we hebben dit ontwikkeld als sml
• Eigendom is een relatie tussen de eigenaar en de andere mensen in de sml die dit aanvaarden dat de
eigenaar dit eigendom bezit door dit niet te aanvaarden zou er misschien geen ongelijkheid zijn, geen
ongelijkheid in het bezig van middelen
• Bv. Rousseau over eigendom als oorzaak van ongelijkheid
• ‘What is the origin of inequality among men, and is it authorized by natural law?’
• “The first man who, after enclosing a plot of land, saw fit to say: "This is mine," and found people who
were simple enough to believe him, was the true founder of civil society. How many crimes, wars,
murders, sufferings and horrors mankind would have been spared if someone had torn up the stakes or
filled up the moat and cried to his fellows: "Don’t listen to this impostor; you are lost if you forget that
the earth belongs to no one, and that its fruits are for all!” (Rousseau, 1754)
Opgang van het idee dat de staat een rol te spelen heeft in armoedebestrijding
• Voor Kant: rechtvaardigheid boven liefdadigheid, geen ongelijke relaties tussen wie geeft en wie krijgt
• Daarom: rol staat eerder dan lokale religieuze organisaties
Opkomst van publieke vertogen die sociale ongelijkheid problematiseren en gelijkwaardigheid van mensen
vooropstellen
Bv. ‘Rights of Man’ van Thomas Paine, 1791
Weinig verandering in praktijk, vooral evolutie op intellectueel vlak
En veel intellectuele tegenstand, Bv. Malthus en Ricardo: armoedebestrijding neemt motivatie om te
werken weg
Tweede ‘Armoedeverlichting’
Graduele verandering in ideeën doorheen 19e eeuw
• Utilitarisme met idee van dalend marginaal nut van inkomen, creëerde economisch argument tegen
(grote) inkomensongelijkheid
o Marginaal nut = hoeveel nut heeft het als je iets toevoegd
o Manier om geld efficiënt te verdelen
o MAAR na een tijd heeft iets extra toevoegen geen nut meer
• Meer nood aan technisch geschoolde arbeiders, dus positiever beeld op scholing van armen
• Opkomst van socialistische beweging: kapitalisme als oorzaak van armoede
• Opkomst sociaal onderzoek met impact op publiek debat
vb. ‘armoedelijn’ van Charles Booth eind 19e eeuw
Pas laat in 19e eeuw ook eerste acties tegen ongelijkheid met oa. afschaffing slavenhandel (en later slavernij)
Culmineert in tweede helft 20e eeuw in tweede armoedeverlichting
• Armoede moreel gezien als beperking van vrijheid en persoonlijke ontwikkeling
Bv. filosoof Rawls: geen vrijheid als je arm bent
• Armoede als belemmering voor economische ontwikkeling
Bv. econoom Keynes: toename inkomen voor armen promoot economische groei
Armoede is een belang van de welvaartstaat
4
1 Sociale ongelijkheid: een sociologische kijk
1.1 Een aantal feiten over (inkomens)ongelijkheid
DIA 13 - Inkomensongelijkheid in OESO-landen
- Weergave van de gini-coëfficient
- BE heeft een zo goed als stabiele ongelijkheid + staat vrij laag, een vd gelijkste landen
- Scandinavische landen doen het beter dan BE, maar stijgen ook
- Ongelijkheid verschilt per land en verandert doorheen de tijd
- US stijgt enorm
DIA 14 - Gini-coëfficient
- Economische maat van ongelijkheid
- Een maat tss 0 en 1
- 0 = geen ongelijkheid, perfecte gelijkheid
- 1 = ongelijkheid
- Lorenz-curve: de 1% rijksten
DIA 15 - Verdeling van belastbaar inkomen in België (2012)
- Decielen
- Allerlaagste inkomens = deciel 1
- Allerhoogte inkomst = deciel 10
- Ieder deciel = 10% vd bevolking
- Belastbaar inkomen = inkomen waar sociale zekerheidsbijdragen al vanaf zijn getrokken
- Een enorm verschil tss het laagste deciel en het hoogste
- Geen ongelijkheid = elk deciel heeft 10% vh belastbaar inkomen
- Belastingstarief: hoogste deciel betaalt meer belasting, laagste deciel heeft een negatief aangezien ze geld krijgen ipv moeten
afgeven, ze dragen niet bij aan de belastingen
- progressief belastingssyteem
- De 10% rijksten betalen bijna de helft vd belastingen in BE
DIA 16 - Belastbaar inkomen: Focus op supperrijken (2012)
- Ook ongelijkheid tussen de 10% rijksten
- De 1% allerrijlsten hebben manieren om belastingen op hun inkomen te vermijden ( Bv. vennootschappen, bedrijfbelastingen)
maar betalen nog steeds een vrij groot aandeel vd belastingen in BE
DIA 17 - Ongelijkheid (Gini) volgens inkomensbron (2013)
- Transfers, inkomensvervangende bedragen dalen de inkomensongelijkheid (in BE is dit een serieuze daling)
- Door pensioen daalt de inkomensongelijkheid in alle landen
- Zuid-Europese landen zoals Spanje, Italië en Griekenland: herverdeelt via pensioen, maar daarnaast zijn er weinig of lage
andere vervangingsinkomens
DIA 18 - Bruto maandloon van voltijdse werknemers volgens geslacht, regio en onderwijs (2012)
- Verschil man en vrouw: vrouwen werken minder voltijds
- BXL: pendelaars verdienen veel, maar de inwoners van BXL zijn eerder arm
- Onderwiijsdiploma is zeer bepalend voor het inkomen
DIA 19 - Vermogens-ongelijkheid
- Kunnen gezinnen in armoede terugvallen op vermogen?
- Boxplot
- Zwarte diamant = het gemiddelde (gevoelig voor extremen)
- Wit streepje = mediaan (minder gevoelig voor extremen)
- Laagste deciel hebben weinig vermogen
o de mediaan ligt zelfs tot 0, de helft of meer heeft geen vermogen
o het gemiddelde ligt hoger omwille van het bezit van een eigen woning ipv het huren van een woning
o het vermogen van een woning is niet inzetbaar: als de woning het enige vermogen is kunnen ze hier niet op
terugvallen
o naarmate de decielen opschuvien, schuift het gemiddelde vermogen ook op
1
,Sociale ongelijkheid
1.2 Wat is sociale ongelijkheid? Een (voorlopige) definitie
Sociale ongelijkheid verwijst naar ongelijke verdeling van schaarse maar maatschappelijk gewaardeerde
middelen ( Bv. geld, toegang tot diensten & kennis, erkenning, macht) en de ongelijke behandeling van
individuen en groepen op basis van hun sociale positie.
Voorlopige definitie: uit te werken o Bv. sociologische theorie & empirisch onderzoek
Sociologische visie op ongelijkheid
• Specificiteit van sociologische blik op ongelijkheid
• Ongelijkheid gaat niet enkel over (graduele) verdeling van middelen over individuen (economen), maar
over maatschappelijke verhoudingen tussen sociale groepen sociologen kijken ook naar de
groepsdynamiek
• Maatschappelijke positie van 2 groepen, de verhouding tss deze 2, maatschappelijke verhouding van
groepen Ongelijkheid wordt niet geanalyseerd vanuit individuele posities & capaciteiten, maar vanuit
sociale posities die mensen in samenleving innemen
• De ongelijkheid verklaren vanuit de verhouding tussen groepen en de sociale positie die deze innemen
in de sml
Sociale posities worden ge(re-)produceerd door maatschappelijke organisatie van economie, verdeling van
maatschappelijke waardering, en organisatie van politieke besluitvorming.
Ongelijkheid heeft gevolgen voor:
• individuele levenskansen ( Bv. hoog of laag inkomen)
• én maatschappij als geheel ( Bv. ongelijke samenlevingen hebben vaak een hogere graad van
criminaliteit, onderling vertrouwen, publieke ruimte…)
1.3 Sociale ongelijkheid als sociaal probleem
• Sociale ongelijkheid bijna even oud als samenleving zelf, maar lange tijd niet als sociaal probleem
beschouwd
• Situaties niet inherent of vanzelfsprekend problematisch, maar sociaal geconstrueerd als probleem
o Objectieve conditie op zich onvoldoende om tot sociaal probleem te maken
o Ook subjectieve dimensie nodig: als probleem beschouwd
o We moeten kunnen verklaren wrm een ongelijke verdeling als een probleem gezien wordt, de
kenmerken (objectieve conditie) enkel zijn niet genoeg
o Pas dan wordt situatie een ‘sociaal probleem’ (en komt het op agenda van politiek,
beleidsmakers, onderzoekers & breder publiek)
• Iets is een probleem zodra er bepaalde groepen in de sml zijn die het als een probleem beschouwen
• Pas sociaal probleem na sociaal proces
Sociale ongelijkheid wordt pas een sociaal probleem bij discrepantie tussen:
• Objectieve conditie ( Bv. gebrekkige inkomens, ongelijke onderwijskansen of toegang tot
gezondheidszorg)
• En bepaalde maatschappelijk gedeelde waarden ( Bv. menselijke waardigheid, empathie, gelijkheid)
• Als dysfunctioneel of ononvaarbaar gezien door ‘relevante groepen’ in samenleving (het moet
gedragen worden door groepen die een invloed hebben op de maatschappij)
• Én indien beschouwd als ‘aan te pakken’ op maatschappelijk niveau
Armoede als sociaal probleem
2
,Sociale ongelijkheid
• Ongelijkheid (o.a.) geproblematiseerd door historisch veranderende ideeën over armoede:
• tot 18e eeuw werd armoede niet gezien als sociaal probleem waar de maatschappij verantwoordelijk
voor is. Het is een individueel probleem
• 16e tot 18e eeuw: mercantilisme beschouwt armoede als goed
o Mercantilisme = economische filosofie gericht op maximalisatie export door goedkope input
(i.e. arbeidskracht)
o Armoede garandeert goedkope & gehoorzame arbeidskrachten
o Een deel vd bevolking arm houden, om zo arbeidskrachten te kunnen behouden
o Door de goedkope arbeidskrachten wordt de rest rijk
Onderwijs voor brede bevolking gezien als verspilling, want ontmoedigt inzet van arbeid
• Het onderwijs brengt rare ideeën zoals protesten
• Mensen moeten werken ipv bijleren en beseffen welke rechten ze zouden kunnen hebben Bv.
“To make the Society happy and people easy under the meanest circumstances, it is requisite that great
numbers of them should be ignorant as well as poor.” (de Mandeville, 1732)
• Beperkte rol overheid in sociale bescherming, vnl. tijdelijke bescherming bij tegenslagen (mislukte
oogsten & pandemie)
• Armoede gezien als gevolg van ‘morele zwakte’ van armen (alcohol, niet sparen, scheiding, foute
keuzes vh individu…) eerder dan Bv. werkloosheid dwangarbeid als oplossing, zo ze aanleren dat een
‘goede burger’ werkt
Eerste ‘Armoedeverlichting’ andere visie op maatschappij
Ontwikkeling van morele argumenten voor overheid om armoede te bestrijden (maar nog weinig actie tegen
armoede)
Verlichting veranderde ideeën van burgers in Europa:
• ‘Wil van God’ of ‘de natuur’ steeds minder aanvaard als verklaringen voor fenomenen en ordening
samenleving
• Samenleving is mensenwerk: oorzaken van maatschappelijke fenomenen in manier waarop mensen
samenleving organiseren
• Samenleving kan worden begrepen & gecontroleerd en daardoor ook veranderd
Eind 18e eeuw: nieuwe visie op mensen in armoede
Immanuel Kant:
• Mens is een doel in zichzelf, nooit middel tot ander doel.
• Mensen hebben waarden op zichzelf, ze zijn niet enkel waardevol omdat ze arbeidskrachten geven
• Armen hebben dezelfde morele waarde als rijken.
Adam Smith:
• Welvaart niet bepaald door handelsbalans (cf. mercantilisme) maar door wat burgers van een land
bezitten
• Een welvarend land = een land met bezittende burgers
• Armoede reduceren niet als bedreiging, maar als doel van economische ontwikkeling
3
, Sociale ongelijkheid
Rousseau:
• Armoede is deels gevolg van problematische instituties in samenleving
• Eigendomsrecht is een maatschappelijke verhouding/institutie, we hebben dit ontwikkeld als sml
• Eigendom is een relatie tussen de eigenaar en de andere mensen in de sml die dit aanvaarden dat de
eigenaar dit eigendom bezit door dit niet te aanvaarden zou er misschien geen ongelijkheid zijn, geen
ongelijkheid in het bezig van middelen
• Bv. Rousseau over eigendom als oorzaak van ongelijkheid
• ‘What is the origin of inequality among men, and is it authorized by natural law?’
• “The first man who, after enclosing a plot of land, saw fit to say: "This is mine," and found people who
were simple enough to believe him, was the true founder of civil society. How many crimes, wars,
murders, sufferings and horrors mankind would have been spared if someone had torn up the stakes or
filled up the moat and cried to his fellows: "Don’t listen to this impostor; you are lost if you forget that
the earth belongs to no one, and that its fruits are for all!” (Rousseau, 1754)
Opgang van het idee dat de staat een rol te spelen heeft in armoedebestrijding
• Voor Kant: rechtvaardigheid boven liefdadigheid, geen ongelijke relaties tussen wie geeft en wie krijgt
• Daarom: rol staat eerder dan lokale religieuze organisaties
Opkomst van publieke vertogen die sociale ongelijkheid problematiseren en gelijkwaardigheid van mensen
vooropstellen
Bv. ‘Rights of Man’ van Thomas Paine, 1791
Weinig verandering in praktijk, vooral evolutie op intellectueel vlak
En veel intellectuele tegenstand, Bv. Malthus en Ricardo: armoedebestrijding neemt motivatie om te
werken weg
Tweede ‘Armoedeverlichting’
Graduele verandering in ideeën doorheen 19e eeuw
• Utilitarisme met idee van dalend marginaal nut van inkomen, creëerde economisch argument tegen
(grote) inkomensongelijkheid
o Marginaal nut = hoeveel nut heeft het als je iets toevoegd
o Manier om geld efficiënt te verdelen
o MAAR na een tijd heeft iets extra toevoegen geen nut meer
• Meer nood aan technisch geschoolde arbeiders, dus positiever beeld op scholing van armen
• Opkomst van socialistische beweging: kapitalisme als oorzaak van armoede
• Opkomst sociaal onderzoek met impact op publiek debat
vb. ‘armoedelijn’ van Charles Booth eind 19e eeuw
Pas laat in 19e eeuw ook eerste acties tegen ongelijkheid met oa. afschaffing slavenhandel (en later slavernij)
Culmineert in tweede helft 20e eeuw in tweede armoedeverlichting
• Armoede moreel gezien als beperking van vrijheid en persoonlijke ontwikkeling
Bv. filosoof Rawls: geen vrijheid als je arm bent
• Armoede als belemmering voor economische ontwikkeling
Bv. econoom Keynes: toename inkomen voor armen promoot economische groei
Armoede is een belang van de welvaartstaat
4