Theoretische Criminologie Colleges
Week 1
Wetenschappelijke theorieën zijn voorlopige antwoorden op kennisvragen, gebaseerd op nauwkeurig
omschreven samenhangen tussen observeerbare gebeurtenissen.
Elementen van een theorie:
Object: de eenheden waarover de theorie uitspraak doet.
Explanans: de ‘verklaring’, het mechanisme
Explanandum: dat wat de theorie verklaart.
- Voorbeeld: jongens (object) met delinquente vrienden (explanans) zijn vaker zelf delinquent
(explanandum).
Operationalisatie. Het verklaren van theoretische eigenschappen in waarneembare variabelen.
Voorwaarden voor toetsbaarheid:
- Object: steekproefkader
- Explanans: (on)volledige weergave van theoretische concepten
- Explanandum: onder/overrapportage, gedrag individu of gedrag strafrechtelijk systeem,
verklaringsniveau.
Verklaringsniveaus
Micro-theorieën: individuele verschillen. Individueel gedrag, sociaal proces.
Macro-theorieën: samenleving en groepspatronen in crimineel gedrag. Epidemiologie, sociale
structuur. Verklaren verschillen tussen groepen, maatschappelijke klassen, buurten en
samenlevingen met behulp van verschillen in hun sociale of culturele kenmerken.
Micro Macro
Personen met een lage SES hebben meer justitie In landen met grote inkomensverschillen is de
contacten dan personen met een hoge SES. geregistreerde criminaliteit hoger, dan in landen
met kleine inkomensverschillen.
Ex-gevangenen met een stabiele woonsituatie In wijken met een hoge verhuismobiliteit komt
recidiveren minder dan ex-gevangenen met een meer criminaliteit voor dan in wijken met een
instabiele woonsituatie. lage verhuismobiliteit.
Jongeren met een migratie achtergrond komen Op etnisch heterogene scholen komt meer
vaker met de politie in aanraking dan jongeren criminaliteit voor dan op etnisch homogene
van Nederlandse herkomst. scholen.
Vrouwen plegen minder vaak delicten dan Wanneer de raad van commissarissen gender
mannen. divers is, is de kans op regel overtreding door
het bedrijf kleiner dan wanneer de raad van
commissarissen niet gender divers is.
,Ecologische fout: verbanden op macro niveau naar micro niveau vertalen.
Causaliteit. Om te kunnen spreken van een ‘oorzaak’ moet X nodig zijn en voldoende om Y te doen
plaats vinden.
- Nodig: zonder X komt Y niet voor.
- Voldoende: Y komt altijd voor bij X
- Meestal: deze verschijnselen vergroten de kans op bepaald gedrag.
Soft determinisme (Matza) omdat geen enkele criminologische verklaring voldoet aan beide eisen.
Systeem benadering.
Pijlers van wetenschappelijk onderzoek.
- Empirisme: ontwikkelen en testen van theorieën op basis van empirische werkelijkheid.
- Objectiviteit: instrumenten precies en valide, en eindoordeel gebaseerd op resultaten, niet
op persoonlijke overtuiging.
- Scepticisme: ook eigen conclusies niet permanent maar tentatief.
- Zuinigheid (parsimony): reduceren aantal mogelijke verklaringen voor bepaald gedrag.
P T O Schema: Probleem Theorie Onderzoek
- Probleem = kennistekort omtrent bepaald verschijnsel.
- Theorie = voorlopige oplossing
- Onderzoek = observeren empirie
Hoe beoordeel je een theorie?
Logische consistentie: proposities (premissen) binnen een theorie mogen elkaar niet
tegenspreken.
Reikwijdte: hoe breder hoe beter?
o Verzameling objecten waarover theorie uitspraak doet groter: informatie gehalte
hoger, algemener.
o Verzameling eenheden waarnaar explanans refereert groter: informatie gehalte
hoger, algemener.
, o Typen gedrag waarnaar explanandum refereert kleiner: informatie gehalte hoger,
meer precies, grotere kans om te worden gefalsifieerd.
Zuinigheid: hoe zuiniger hoe beter. Een theorie die veel vormen van gedrag verklaart middels
weinig proposities heeft de voorkeur boven een theorie met veel proposities (die slechts een
bepaalde vorm van gedrag verklaard).
Testbaarheid
o Ontestbaar door tautologie (iets wat per definitie waar is): seriemoordenaars zijn
psychopaten, daders begaan seriemoorden omdat ze psychopaat zijn.
o Ontestbaar door open einde/nieuw nauwkeurig omschreven relaties tussen de
proposities in de theorie
o Ontestbaar: want niet meetbaar
Empirische validiteit
Inspiratie voor nader onderzoek
Beleidsimplicaties
Ieder beleid is gebaseerd op theorie: hoe goed sluit beleid aan bij theorie?
Het succes van een bepaald beleid kan niet worden gebruikt om de theorie te toetsen.
Slechte vertaling van theoretische concepten naar concrete situatie. Praktische of ethische
bezwaren. Additionele politieke of economische factoren.
, Week 2
Hoorcollege
Klassieke school in de tijd van de Verlichting.
Omstandigheden van het geval bepalen de kosten en baten van gedragsalternatieven.
De straf moet bij het delict passen, niet bij de dader. Straffen moeten voldoende zeker, snel en zwaar
zijn. straf is niet bedoeld als leedtoevoeging, schadevergoeding of als voorbeeld. Straffen alleen
bedoeld als afschrikking. Zwaarte van de straf alleen belangrijk wanneer snelheid en zekerheid niet
konden worden gewaarborgd.
Elementen ‘klassieke theorie’
- Object: iedereen (uitgezonderd: kinderen, geesteszieken)
- Explanans: rationele kosten/baten afweging
- Explanandum: wetsovertredingen
Plezier uit het plegen van een delict is niet voor iedereen gelijk. Pijn van de straf niet voor alle daders
gelijk.
Klassieke school radicaal:
- Beperkte macht van de staat
- Nam aftand van de leer van de Katholieke kerk
- Stelde de ‘gewone man’ centraal
Maar ook conservatief:
- Nadruk op eigen keuze individu
- Geen/weinig aandacht voor maatschappelijke omstandigheden
Hernieuwde interesse Klassieke school
- Klassieke school: zwaarte van de straf alleen belangrijk wanneer snelheid en zekerheid niet
konden worden gewaarborgd.
- Conservatieve criminologie: nadruk op harder/zwaarder straffen.
Routine Activiteiten Theorie
Week 1
Wetenschappelijke theorieën zijn voorlopige antwoorden op kennisvragen, gebaseerd op nauwkeurig
omschreven samenhangen tussen observeerbare gebeurtenissen.
Elementen van een theorie:
Object: de eenheden waarover de theorie uitspraak doet.
Explanans: de ‘verklaring’, het mechanisme
Explanandum: dat wat de theorie verklaart.
- Voorbeeld: jongens (object) met delinquente vrienden (explanans) zijn vaker zelf delinquent
(explanandum).
Operationalisatie. Het verklaren van theoretische eigenschappen in waarneembare variabelen.
Voorwaarden voor toetsbaarheid:
- Object: steekproefkader
- Explanans: (on)volledige weergave van theoretische concepten
- Explanandum: onder/overrapportage, gedrag individu of gedrag strafrechtelijk systeem,
verklaringsniveau.
Verklaringsniveaus
Micro-theorieën: individuele verschillen. Individueel gedrag, sociaal proces.
Macro-theorieën: samenleving en groepspatronen in crimineel gedrag. Epidemiologie, sociale
structuur. Verklaren verschillen tussen groepen, maatschappelijke klassen, buurten en
samenlevingen met behulp van verschillen in hun sociale of culturele kenmerken.
Micro Macro
Personen met een lage SES hebben meer justitie In landen met grote inkomensverschillen is de
contacten dan personen met een hoge SES. geregistreerde criminaliteit hoger, dan in landen
met kleine inkomensverschillen.
Ex-gevangenen met een stabiele woonsituatie In wijken met een hoge verhuismobiliteit komt
recidiveren minder dan ex-gevangenen met een meer criminaliteit voor dan in wijken met een
instabiele woonsituatie. lage verhuismobiliteit.
Jongeren met een migratie achtergrond komen Op etnisch heterogene scholen komt meer
vaker met de politie in aanraking dan jongeren criminaliteit voor dan op etnisch homogene
van Nederlandse herkomst. scholen.
Vrouwen plegen minder vaak delicten dan Wanneer de raad van commissarissen gender
mannen. divers is, is de kans op regel overtreding door
het bedrijf kleiner dan wanneer de raad van
commissarissen niet gender divers is.
,Ecologische fout: verbanden op macro niveau naar micro niveau vertalen.
Causaliteit. Om te kunnen spreken van een ‘oorzaak’ moet X nodig zijn en voldoende om Y te doen
plaats vinden.
- Nodig: zonder X komt Y niet voor.
- Voldoende: Y komt altijd voor bij X
- Meestal: deze verschijnselen vergroten de kans op bepaald gedrag.
Soft determinisme (Matza) omdat geen enkele criminologische verklaring voldoet aan beide eisen.
Systeem benadering.
Pijlers van wetenschappelijk onderzoek.
- Empirisme: ontwikkelen en testen van theorieën op basis van empirische werkelijkheid.
- Objectiviteit: instrumenten precies en valide, en eindoordeel gebaseerd op resultaten, niet
op persoonlijke overtuiging.
- Scepticisme: ook eigen conclusies niet permanent maar tentatief.
- Zuinigheid (parsimony): reduceren aantal mogelijke verklaringen voor bepaald gedrag.
P T O Schema: Probleem Theorie Onderzoek
- Probleem = kennistekort omtrent bepaald verschijnsel.
- Theorie = voorlopige oplossing
- Onderzoek = observeren empirie
Hoe beoordeel je een theorie?
Logische consistentie: proposities (premissen) binnen een theorie mogen elkaar niet
tegenspreken.
Reikwijdte: hoe breder hoe beter?
o Verzameling objecten waarover theorie uitspraak doet groter: informatie gehalte
hoger, algemener.
o Verzameling eenheden waarnaar explanans refereert groter: informatie gehalte
hoger, algemener.
, o Typen gedrag waarnaar explanandum refereert kleiner: informatie gehalte hoger,
meer precies, grotere kans om te worden gefalsifieerd.
Zuinigheid: hoe zuiniger hoe beter. Een theorie die veel vormen van gedrag verklaart middels
weinig proposities heeft de voorkeur boven een theorie met veel proposities (die slechts een
bepaalde vorm van gedrag verklaard).
Testbaarheid
o Ontestbaar door tautologie (iets wat per definitie waar is): seriemoordenaars zijn
psychopaten, daders begaan seriemoorden omdat ze psychopaat zijn.
o Ontestbaar door open einde/nieuw nauwkeurig omschreven relaties tussen de
proposities in de theorie
o Ontestbaar: want niet meetbaar
Empirische validiteit
Inspiratie voor nader onderzoek
Beleidsimplicaties
Ieder beleid is gebaseerd op theorie: hoe goed sluit beleid aan bij theorie?
Het succes van een bepaald beleid kan niet worden gebruikt om de theorie te toetsen.
Slechte vertaling van theoretische concepten naar concrete situatie. Praktische of ethische
bezwaren. Additionele politieke of economische factoren.
, Week 2
Hoorcollege
Klassieke school in de tijd van de Verlichting.
Omstandigheden van het geval bepalen de kosten en baten van gedragsalternatieven.
De straf moet bij het delict passen, niet bij de dader. Straffen moeten voldoende zeker, snel en zwaar
zijn. straf is niet bedoeld als leedtoevoeging, schadevergoeding of als voorbeeld. Straffen alleen
bedoeld als afschrikking. Zwaarte van de straf alleen belangrijk wanneer snelheid en zekerheid niet
konden worden gewaarborgd.
Elementen ‘klassieke theorie’
- Object: iedereen (uitgezonderd: kinderen, geesteszieken)
- Explanans: rationele kosten/baten afweging
- Explanandum: wetsovertredingen
Plezier uit het plegen van een delict is niet voor iedereen gelijk. Pijn van de straf niet voor alle daders
gelijk.
Klassieke school radicaal:
- Beperkte macht van de staat
- Nam aftand van de leer van de Katholieke kerk
- Stelde de ‘gewone man’ centraal
Maar ook conservatief:
- Nadruk op eigen keuze individu
- Geen/weinig aandacht voor maatschappelijke omstandigheden
Hernieuwde interesse Klassieke school
- Klassieke school: zwaarte van de straf alleen belangrijk wanneer snelheid en zekerheid niet
konden worden gewaarborgd.
- Conservatieve criminologie: nadruk op harder/zwaarder straffen.
Routine Activiteiten Theorie