Ondernemingsrecht
werkcolleges
Onderstreep alle gebruikte wett en van het werkcollege
Week 1 Ondernemingsvormen H1
Essayvragen
H1 Case I | Vraag 1: Eenmanszaak of (Eénpersoons-)BV (Titel 5 Art. 2:175 – 2:276 BW) zijn de beste
keuzes voor een geschikte rechtsvorm voor Pieter. Pieter werkt namelijk in zijn eentje en dus komen
personenvennootschappen niet in aanmerking. Pieter wil geen schulden aangaan en dus is de NV
(Titel 4 Art. 2:64 – 2:170 BW) waar een minimumkapitaal van €45.000 (Art. 2:67 lid 3 BW) voor
benodigd is buiten bereik. Daarnaast vallen de stichting en vereniging ook af aangezien er kennelijk
sprake is van een winstoogmerk. Sinds de invoering van de wet Flex-BV gelden geen regels meer voor
een minimum te storten bedrag op aandelen van een BV (€18.000). Nadeel van de eenmanszaak is
dat Pieter met zijn privévermogen aansprakelijk is voor mogelijke schulden. Dit risico is echter
beperkt aangezien Pieter toch geen schulden wil aangaan.
H1 Case I | Vraag 4: Coöperatie is de beste rechtsvorm voor Inez (Titel 3 Art 2:53 – 2:63k BW) want
het gaat hier om bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien (Art 2:53 lid 1 BW). De
coöperatie gaat de gebundelde inkoop doen voor alle winkeliers. De zelfstandige winkeliers zijn de
leden van de coöperatie. Zij nemen de ingekochte zaken af van de coöperatie. Men spreekt in de
praktijk van een zogeheten inkoopcoöperatie.
H1 Case I | Vraag 5: Stichting (Titel 6 art. 2:285 – 2:307 BW) is de beste rechtsvorm voor de situatie
van Burton. Hij wil namelijk een bestemd vermogen aan een doel verwezenlijken (Art 2:285 lid 1
BW), dit doel is namelijk zijn opgebouwde privévermogen aanwenden aan de ondersteuning van
minderjarige daklozen. Een stichting kan daarnaast worden opgericht bij testament (art. 2:286 BW).
H1 Case II | Vraag 6: BV (Titel 5 Art. 2:175 – 2:276 BW) of Vof (Art. 17 WVK) zijn de meest geschikte
rechtsvormen voor Jetta en Catíe. Een NV (wel mogelijk) valt snel af door het vereiste
minimumvermogen van €45.000 (Art. 2:67 lid 3 BW). Voor de BV gelden wel veel dwingende regels
(Art. 2:25 BW). De maatschap kan ook niet omdat zij onder gemeenschappelijke naam handelen wat
bij de maatschap niet van toepassing is, art 16 WVK. Vof ligt praktisch gezien het meest voor de
hand. Jetta en Catíe willen bedrijf beginnen om bij te verdienen en dus is er een winstoogmerk, dit
betekent dat de vereniging en stichting afvallen als optie. Gezien de doelomschrijving (Art 2:53 lid 1
BW) valt de coöperatie ook af.
H1 Case IV | Vraag 8: Voor een stichting geldt een ledenverbod (Art. 2:285 lid 1 BW) en dus mag de
stichting ook geen ledenvergadering hebben.
H1 Case IV | Vraag 9: De stichting voldoet niet aan de wettelijke omschrijving van de rechtsvorm
‘stichting’ aangezien het ledenverbod wordt overtreden. De stichting kan hierdoor door een
belanghebbende of het OM worden ontbonden op grond van Art. 2:21 lid 1 sub b & c BW.
Mogelijkheden om ontbinding te voorkomen: Statuten wijzigen en dus de raad van aangeslotenen
opheffen. De wet biedt hier de gelegenheid toe op grond van Art. 2:21 lid 2 BW. Ook kan de
stichting zich omzetten naar een andere rechtsvorm wat in dit geval het beste een vereniging is. Deze
omzetting kan op grond van Art. 2:18 lid 1, 2 & 4.
,Meerkeuze vragen
7: B |Het gaat hier ten eerste om een maatschap (Titel 9 Boek 7A BW). Op grond van Art. 7A:1679
BW zijn de vennoten (maten) niet geheel aansprakelijk voor de schulden van de maatschap en kan
een vennoot de overige vennoten niet eraan verbinden zonder een volmacht. Er is geen sprake van
een volmacht door de vennoten en dus is Pieter als enige aansprakelijk. De maatschap is geen
rechtspersoon dus is zelf niet aansprakelijk.
8 B. De VOF is geen rechtspersoon. Dus een natuurlijk persoon is verbonden. Volgens art 17 lid 2 was
Johan onbevoegd en is lid 1 dus niet van toepassing. In de statuten van de VOF van Johan en Theo
stond namelijk dat er een handtekening van beiden is vereist voor verbintenissen boven de €50.000.
Johan is een verbintenis aangegaan van €125.000 wat boven de €50.000 is. Op grond van Art.
7A:1681 BW is alleen Johan gebonden aan de overeenkomst met Ganga BV. (VOF is een maatschap
onder gemeenschappelijke naam).
9 C | Een Coöperatie kan niet rechtsgeldig ontstaan bij het ontbreken van een notariële akte op
grond van Art. 2:53 BW & Art. 2:54 BW. Er is sprake van een ontstaansgebrek volgens Art. 2:4 lid 1
BW). Het vermogen wordt op grond van Art. 2:4 lid 4 BW vereffend (verdeeld over alle
schuldeisers/rechthebbende = liquideren) omdat de coöperatie zal worden ontbonden door het
eerder genoemde feit omtrent de rechtsgeldigheid “Degenen die zijn opgetreden als bestuurders,
zijn hoofdelijk verbonden voor de tot dit vermogen behorende schulden die opeisbaar zijn geworden
in het tijdvak waarin zij dit deden”
10 C. Antwoord A mag wel, zie art 2.53a: uitzondering is art 26 lid 3 waarin staat dat vereniging geen
winst mag uitkeren. Coöptatie mag dit dus wel. Antwoord B is ook juist: Een rechtspersoon staat ten
eerste wat vermogensrecht betreft gelijk met een natuurlijk persoon op grond van Art. 2:5 BW.
Antwoord C is hier niet juist. Dit geldt namelijk alleen bij een informele vereniging, zie art 30 lid 1.
Antwoord D is juist want een vereniging mag geen winst verdelen, art 26 lid 3 (in tegenstelling tot de
coöptatie.
11 B | Stelling A is juist omdat het bestuur het enige verplichte orgaan is (art 291 lid 1). Stelling B is
onjuist omdat het diner bij een lokaal restaurant op grond van Art. 2:285 lid 3 BW geen sociale
strekking heeft en dus een verboden winstuitkering is. Stelling C is juist omdat een stichting geen
rechthebbende op het vermogen heeft maar een in het statuten vermeldt doel waar het vermogen
bestemd voor is. Stelling D is juist omdat stichtingen een winstuitkeringsverbod hebben maar geen
winstverbod (Art. 2:285 lid 1 & 3 BW).
Eenmanszaak is niet te vinden in de wet
, Week 2 Oprichting en crediteurenbescherming BV/NV,
H2+3
Beantwoorden van de vragen volgende stappen
- Welke onderwerpen met bijhorende info relevant? En zoek deze op in de wet…
- Noem het artikel
- Noem de rechtsregels
- Pas rechtsregels toe
- Schrijf conclusie
i.o. = in oprichting
Essayvragen
H2 Case II | Vraag 6: Op grond van Art 2:203 lid 1 BW zijn de rechtshandelingen die verricht zijn
namens een bv i.o. slechts rechten en verplichtingen ontstaan voor de vennootschap als zij die
rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt.
Dit wil zeggen dat A gebonden is aan de overeenkomst tot koop van het winkelpand, tenzij er
uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt (of directe binding Art 2:4 lid 4 BW) is dat de vennootschap
gebonden is aan de overeenkomst. Dit kan bijvoorbeeld als de bv na oprichting meewerkt aan de
levering van het winkelpand of als na oprichting het winkelpand pas in gebruik wordt genomen. De
verhuur kan stilzwijgend worden bekrachtigd doordat de bovenetage na oprichting van de bv wordt
verhuurd aan X.
H3 Case I | Vraag 1: Ja dit kan, op grond van Art. 2:191b BW kan een andere inbreng dan geld
geschieden wanneer dit is overeengekomen. Deze inbreng anders dan in geld moet gewaardeerd
kunnen worden naar economische maatstaven. Dat kan bij activa dus voldoet aan de eisen. Art.
2:191(a) lid 1: storting in geld (hoofdregel) tenzij anders overeengekomen.
H3 Case I | Vraag 2: De voorwaarden waaraan Bas Visser moet voldoen wanneer hij een andere
inbreng dan geld op de aandelen voor oprichting wordt overeengekomen worden bepaald in Art.
2:204a BW. Het artikel beschrijft dat de oprichters (in dit geval Bas) een beschrijving maken van
hetgeen wat wordt ingebracht, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de
toegepaste waarderingsmethoden. Deze beschrijving moet door alle oprichter (in dit geval dus alleen
Bas) worden ondertekend. Deze beschrijving moeten ter inzage op het kantoor van de vennootschap
worden gelegd.
H3 Case I | Vraag 3: Bij een nv werkt dit net iets anders. De voorwaarden waaraan Bas Visser moet
voldoen wanneer hij een andere inbreng dan geld op de aandelen voor oprichting wordt
overeengekomen worden bepaald in Art. 2:94a BW. Lid 1 van het artikel geeft hetzelfde aan als wat
bij vraag 2 is beantwoord, echter moet er bij een nv nog een accountantsverklaring worden afgelegd
(lid 2) over het hetgeen wat wordt ingebracht. Deze verklaring moet aan de akte van oprichting
worden gehecht. (Wanneer bekend is dat de waarde na de beschrijving aanzienlijk is gedaald, is er
een tweede verklaring vereist.). De bakkerij (storting) moet ten minste het voor nv’s geldende
minimumkapitaal van €45.000 bedragen (Art. 2:67 lid 3 BW).
H3 Case III | Vraag 7: Het geplaatste aandelenkapitaal bedraagt op 31-12-2021: 10.000 x €1.000 =
€10.000.000 (Art. 2:373 lid 1 letter a). De herwaarderingsreserve wat een wettelijke reserve is (Art.
2:373 lid 1 letter c & Art 2:390 BW) bedraagt op 31-12-2021: €3.000.000. Tot slot is er een verlies
van €2.000.000 wat in mindering van het eigen vermogen dient te worden gebracht. Het eigen
vermogen van N.V. X bedraagt op 31-12-2021: €10M + €3M - €2M = €11.000.000
werkcolleges
Onderstreep alle gebruikte wett en van het werkcollege
Week 1 Ondernemingsvormen H1
Essayvragen
H1 Case I | Vraag 1: Eenmanszaak of (Eénpersoons-)BV (Titel 5 Art. 2:175 – 2:276 BW) zijn de beste
keuzes voor een geschikte rechtsvorm voor Pieter. Pieter werkt namelijk in zijn eentje en dus komen
personenvennootschappen niet in aanmerking. Pieter wil geen schulden aangaan en dus is de NV
(Titel 4 Art. 2:64 – 2:170 BW) waar een minimumkapitaal van €45.000 (Art. 2:67 lid 3 BW) voor
benodigd is buiten bereik. Daarnaast vallen de stichting en vereniging ook af aangezien er kennelijk
sprake is van een winstoogmerk. Sinds de invoering van de wet Flex-BV gelden geen regels meer voor
een minimum te storten bedrag op aandelen van een BV (€18.000). Nadeel van de eenmanszaak is
dat Pieter met zijn privévermogen aansprakelijk is voor mogelijke schulden. Dit risico is echter
beperkt aangezien Pieter toch geen schulden wil aangaan.
H1 Case I | Vraag 4: Coöperatie is de beste rechtsvorm voor Inez (Titel 3 Art 2:53 – 2:63k BW) want
het gaat hier om bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien (Art 2:53 lid 1 BW). De
coöperatie gaat de gebundelde inkoop doen voor alle winkeliers. De zelfstandige winkeliers zijn de
leden van de coöperatie. Zij nemen de ingekochte zaken af van de coöperatie. Men spreekt in de
praktijk van een zogeheten inkoopcoöperatie.
H1 Case I | Vraag 5: Stichting (Titel 6 art. 2:285 – 2:307 BW) is de beste rechtsvorm voor de situatie
van Burton. Hij wil namelijk een bestemd vermogen aan een doel verwezenlijken (Art 2:285 lid 1
BW), dit doel is namelijk zijn opgebouwde privévermogen aanwenden aan de ondersteuning van
minderjarige daklozen. Een stichting kan daarnaast worden opgericht bij testament (art. 2:286 BW).
H1 Case II | Vraag 6: BV (Titel 5 Art. 2:175 – 2:276 BW) of Vof (Art. 17 WVK) zijn de meest geschikte
rechtsvormen voor Jetta en Catíe. Een NV (wel mogelijk) valt snel af door het vereiste
minimumvermogen van €45.000 (Art. 2:67 lid 3 BW). Voor de BV gelden wel veel dwingende regels
(Art. 2:25 BW). De maatschap kan ook niet omdat zij onder gemeenschappelijke naam handelen wat
bij de maatschap niet van toepassing is, art 16 WVK. Vof ligt praktisch gezien het meest voor de
hand. Jetta en Catíe willen bedrijf beginnen om bij te verdienen en dus is er een winstoogmerk, dit
betekent dat de vereniging en stichting afvallen als optie. Gezien de doelomschrijving (Art 2:53 lid 1
BW) valt de coöperatie ook af.
H1 Case IV | Vraag 8: Voor een stichting geldt een ledenverbod (Art. 2:285 lid 1 BW) en dus mag de
stichting ook geen ledenvergadering hebben.
H1 Case IV | Vraag 9: De stichting voldoet niet aan de wettelijke omschrijving van de rechtsvorm
‘stichting’ aangezien het ledenverbod wordt overtreden. De stichting kan hierdoor door een
belanghebbende of het OM worden ontbonden op grond van Art. 2:21 lid 1 sub b & c BW.
Mogelijkheden om ontbinding te voorkomen: Statuten wijzigen en dus de raad van aangeslotenen
opheffen. De wet biedt hier de gelegenheid toe op grond van Art. 2:21 lid 2 BW. Ook kan de
stichting zich omzetten naar een andere rechtsvorm wat in dit geval het beste een vereniging is. Deze
omzetting kan op grond van Art. 2:18 lid 1, 2 & 4.
,Meerkeuze vragen
7: B |Het gaat hier ten eerste om een maatschap (Titel 9 Boek 7A BW). Op grond van Art. 7A:1679
BW zijn de vennoten (maten) niet geheel aansprakelijk voor de schulden van de maatschap en kan
een vennoot de overige vennoten niet eraan verbinden zonder een volmacht. Er is geen sprake van
een volmacht door de vennoten en dus is Pieter als enige aansprakelijk. De maatschap is geen
rechtspersoon dus is zelf niet aansprakelijk.
8 B. De VOF is geen rechtspersoon. Dus een natuurlijk persoon is verbonden. Volgens art 17 lid 2 was
Johan onbevoegd en is lid 1 dus niet van toepassing. In de statuten van de VOF van Johan en Theo
stond namelijk dat er een handtekening van beiden is vereist voor verbintenissen boven de €50.000.
Johan is een verbintenis aangegaan van €125.000 wat boven de €50.000 is. Op grond van Art.
7A:1681 BW is alleen Johan gebonden aan de overeenkomst met Ganga BV. (VOF is een maatschap
onder gemeenschappelijke naam).
9 C | Een Coöperatie kan niet rechtsgeldig ontstaan bij het ontbreken van een notariële akte op
grond van Art. 2:53 BW & Art. 2:54 BW. Er is sprake van een ontstaansgebrek volgens Art. 2:4 lid 1
BW). Het vermogen wordt op grond van Art. 2:4 lid 4 BW vereffend (verdeeld over alle
schuldeisers/rechthebbende = liquideren) omdat de coöperatie zal worden ontbonden door het
eerder genoemde feit omtrent de rechtsgeldigheid “Degenen die zijn opgetreden als bestuurders,
zijn hoofdelijk verbonden voor de tot dit vermogen behorende schulden die opeisbaar zijn geworden
in het tijdvak waarin zij dit deden”
10 C. Antwoord A mag wel, zie art 2.53a: uitzondering is art 26 lid 3 waarin staat dat vereniging geen
winst mag uitkeren. Coöptatie mag dit dus wel. Antwoord B is ook juist: Een rechtspersoon staat ten
eerste wat vermogensrecht betreft gelijk met een natuurlijk persoon op grond van Art. 2:5 BW.
Antwoord C is hier niet juist. Dit geldt namelijk alleen bij een informele vereniging, zie art 30 lid 1.
Antwoord D is juist want een vereniging mag geen winst verdelen, art 26 lid 3 (in tegenstelling tot de
coöptatie.
11 B | Stelling A is juist omdat het bestuur het enige verplichte orgaan is (art 291 lid 1). Stelling B is
onjuist omdat het diner bij een lokaal restaurant op grond van Art. 2:285 lid 3 BW geen sociale
strekking heeft en dus een verboden winstuitkering is. Stelling C is juist omdat een stichting geen
rechthebbende op het vermogen heeft maar een in het statuten vermeldt doel waar het vermogen
bestemd voor is. Stelling D is juist omdat stichtingen een winstuitkeringsverbod hebben maar geen
winstverbod (Art. 2:285 lid 1 & 3 BW).
Eenmanszaak is niet te vinden in de wet
, Week 2 Oprichting en crediteurenbescherming BV/NV,
H2+3
Beantwoorden van de vragen volgende stappen
- Welke onderwerpen met bijhorende info relevant? En zoek deze op in de wet…
- Noem het artikel
- Noem de rechtsregels
- Pas rechtsregels toe
- Schrijf conclusie
i.o. = in oprichting
Essayvragen
H2 Case II | Vraag 6: Op grond van Art 2:203 lid 1 BW zijn de rechtshandelingen die verricht zijn
namens een bv i.o. slechts rechten en verplichtingen ontstaan voor de vennootschap als zij die
rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt.
Dit wil zeggen dat A gebonden is aan de overeenkomst tot koop van het winkelpand, tenzij er
uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt (of directe binding Art 2:4 lid 4 BW) is dat de vennootschap
gebonden is aan de overeenkomst. Dit kan bijvoorbeeld als de bv na oprichting meewerkt aan de
levering van het winkelpand of als na oprichting het winkelpand pas in gebruik wordt genomen. De
verhuur kan stilzwijgend worden bekrachtigd doordat de bovenetage na oprichting van de bv wordt
verhuurd aan X.
H3 Case I | Vraag 1: Ja dit kan, op grond van Art. 2:191b BW kan een andere inbreng dan geld
geschieden wanneer dit is overeengekomen. Deze inbreng anders dan in geld moet gewaardeerd
kunnen worden naar economische maatstaven. Dat kan bij activa dus voldoet aan de eisen. Art.
2:191(a) lid 1: storting in geld (hoofdregel) tenzij anders overeengekomen.
H3 Case I | Vraag 2: De voorwaarden waaraan Bas Visser moet voldoen wanneer hij een andere
inbreng dan geld op de aandelen voor oprichting wordt overeengekomen worden bepaald in Art.
2:204a BW. Het artikel beschrijft dat de oprichters (in dit geval Bas) een beschrijving maken van
hetgeen wat wordt ingebracht, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de
toegepaste waarderingsmethoden. Deze beschrijving moet door alle oprichter (in dit geval dus alleen
Bas) worden ondertekend. Deze beschrijving moeten ter inzage op het kantoor van de vennootschap
worden gelegd.
H3 Case I | Vraag 3: Bij een nv werkt dit net iets anders. De voorwaarden waaraan Bas Visser moet
voldoen wanneer hij een andere inbreng dan geld op de aandelen voor oprichting wordt
overeengekomen worden bepaald in Art. 2:94a BW. Lid 1 van het artikel geeft hetzelfde aan als wat
bij vraag 2 is beantwoord, echter moet er bij een nv nog een accountantsverklaring worden afgelegd
(lid 2) over het hetgeen wat wordt ingebracht. Deze verklaring moet aan de akte van oprichting
worden gehecht. (Wanneer bekend is dat de waarde na de beschrijving aanzienlijk is gedaald, is er
een tweede verklaring vereist.). De bakkerij (storting) moet ten minste het voor nv’s geldende
minimumkapitaal van €45.000 bedragen (Art. 2:67 lid 3 BW).
H3 Case III | Vraag 7: Het geplaatste aandelenkapitaal bedraagt op 31-12-2021: 10.000 x €1.000 =
€10.000.000 (Art. 2:373 lid 1 letter a). De herwaarderingsreserve wat een wettelijke reserve is (Art.
2:373 lid 1 letter c & Art 2:390 BW) bedraagt op 31-12-2021: €3.000.000. Tot slot is er een verlies
van €2.000.000 wat in mindering van het eigen vermogen dient te worden gebracht. Het eigen
vermogen van N.V. X bedraagt op 31-12-2021: €10M + €3M - €2M = €11.000.000