Leereenheid 3: aansprakelijkheid voor eigen
gedrag toerekenbaarheid, schade, causaal
verband en relativiteit
Leerdoelen
De voorwaarden voor de toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad aan de
dader beschrijven en deze toepassen op een concrete casus.
Toerekenbaarheid
Voor aansprakelijkheid is ook nodig dat de daad aan de persoon die hem
verrichte kan worden toegerekend. Onrechtmatigheid heeft dus betrekking
op de daad; toerekening op de dader.
Een toerekenbare od wordt in de wet een fout genoemd.
Er zijn 3 mogelijke gronden van toerekening van onrechtmatig gedrag aan
de dader:
1. Schuld
- Heeft hier de beperkte betekenis van verwijtbaarheid.
- Hier mag geobjectiveerd worden waarbij het gaat om de vraag wat
van een redelijk handelend persoon verwacht mag worden.
- Schuld ontbreekt indien de dader zich op een
schulduitsluitingsgrond kan beroepen of (in bijzondere gevallen)
verontschuldigbare dwaling.
- Een geestelijke tekortkoming sluit ‘schuld’ uit, maar niet de
toerekening o.g.v. 6:165.
2. Een specifieke wettelijke bepaling
- Soms bepaalt de wet rechtstreeks dat de onrechtmatige gedraging
aan de dader toerekenbaar is of dat dit juist niet het geval is.
- Wanneer de dader een kind is van nog geen 14 jaar oud, is de od
NIET toerekenbaar 6:164 BW.
- Een geestelijke of lichamelijke tekortkoming vormt GEEN
belemmering voor toerekening v.d. onrechtmatige gedraging aan de
dader. Ondanks het feit dat door de invloed v.d. stoornis de dader
geen verwijt valt te maken v.d. onrechtmatige gedraging of de
stoornis de onrechtmatigheid daarvan ontneemt, is zij krachtens de
wet aan de dader toerekenbaar 6:165.
- Vereist is dat het gaat om een als een doen te beschouwen
gedraging. Een zuiver nalaten is dus ONvoldoende.
3. De in het verkeer geldende opvattingen
- Deze worden gebruikt als het wenselijk is om ondanks het ontbreken
van schuld een onrechtmatige gedraging toch toe te rekenen.
- Oneravarenheid.
, Uitleggen wat wordt verstaan onder het relativiteitsvereiste en in een concrete
casus beoordelen of hieraan is voldaan.
Een gedraging is onrechtmatig wanneer deze in strijd is met een van de in art.
6:162 lid 2 BW genoemde onrechtmatigheidsgronden (zie leereenheid 1). Echter
kan niet iedereen die door de betreffende gedraging schade heeft geleden zich
ook beroepen op de betreffende onrechtmatigheidsgrond. Steeds moet de vraag
worden gesteld of deze gedraging tegenover deze persoon onrechtmatig is. Het
relatieve karakter van de onrechtmatige daad komt tot uitdrukking in de aanhef
van art. 6:162 BW (‘Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt’).
Uit 6:163 BW vloeit voort dat ook de aard v.d. schade en de wijze waarop
deze is ontstaan onder de bescherming v.d. geschonden norm moet vallen.
Bij de beantwoording v.d. vraag of is voldaan aan het relativiteitsvereiste komt
het aan op het doel en de strekking v.d. geschonden norm HR: Duwbak Linda
Het voornaamste doel van het relativiteitsvereiste is het voorkomen van een te
vergaande aansprakelijkheid als gevolg van een onrechtmatige gedraging.
Het relativiteitsvereiste is met name van belang bij de onrechtmatigheidsgrond
‘strijd met een wettelijke plicht’. In de zeldzame gevallen dat de
onrechtmatigheid kan worden gebaseerd op de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk
op een recht’ is de onrechtmatigheid in beginsel gegeven, omdat het geschonden
recht vanzelfsprekend strekt tot bescherming van de rechthebbende. Voor de
derde onrechtmatigheidsgrond (strijd met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm)
geldt dat de in het concrete geval gevonden betamelijkheidsregel vaak zo
gespecificeerd is dat overtreding daarvan alleen onder deze omstandigheden
tegenover deze benadeelde onrechtmatig is. De relativiteit zit dan als ware
ingebakken in de norm.
gedrag toerekenbaarheid, schade, causaal
verband en relativiteit
Leerdoelen
De voorwaarden voor de toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad aan de
dader beschrijven en deze toepassen op een concrete casus.
Toerekenbaarheid
Voor aansprakelijkheid is ook nodig dat de daad aan de persoon die hem
verrichte kan worden toegerekend. Onrechtmatigheid heeft dus betrekking
op de daad; toerekening op de dader.
Een toerekenbare od wordt in de wet een fout genoemd.
Er zijn 3 mogelijke gronden van toerekening van onrechtmatig gedrag aan
de dader:
1. Schuld
- Heeft hier de beperkte betekenis van verwijtbaarheid.
- Hier mag geobjectiveerd worden waarbij het gaat om de vraag wat
van een redelijk handelend persoon verwacht mag worden.
- Schuld ontbreekt indien de dader zich op een
schulduitsluitingsgrond kan beroepen of (in bijzondere gevallen)
verontschuldigbare dwaling.
- Een geestelijke tekortkoming sluit ‘schuld’ uit, maar niet de
toerekening o.g.v. 6:165.
2. Een specifieke wettelijke bepaling
- Soms bepaalt de wet rechtstreeks dat de onrechtmatige gedraging
aan de dader toerekenbaar is of dat dit juist niet het geval is.
- Wanneer de dader een kind is van nog geen 14 jaar oud, is de od
NIET toerekenbaar 6:164 BW.
- Een geestelijke of lichamelijke tekortkoming vormt GEEN
belemmering voor toerekening v.d. onrechtmatige gedraging aan de
dader. Ondanks het feit dat door de invloed v.d. stoornis de dader
geen verwijt valt te maken v.d. onrechtmatige gedraging of de
stoornis de onrechtmatigheid daarvan ontneemt, is zij krachtens de
wet aan de dader toerekenbaar 6:165.
- Vereist is dat het gaat om een als een doen te beschouwen
gedraging. Een zuiver nalaten is dus ONvoldoende.
3. De in het verkeer geldende opvattingen
- Deze worden gebruikt als het wenselijk is om ondanks het ontbreken
van schuld een onrechtmatige gedraging toch toe te rekenen.
- Oneravarenheid.
, Uitleggen wat wordt verstaan onder het relativiteitsvereiste en in een concrete
casus beoordelen of hieraan is voldaan.
Een gedraging is onrechtmatig wanneer deze in strijd is met een van de in art.
6:162 lid 2 BW genoemde onrechtmatigheidsgronden (zie leereenheid 1). Echter
kan niet iedereen die door de betreffende gedraging schade heeft geleden zich
ook beroepen op de betreffende onrechtmatigheidsgrond. Steeds moet de vraag
worden gesteld of deze gedraging tegenover deze persoon onrechtmatig is. Het
relatieve karakter van de onrechtmatige daad komt tot uitdrukking in de aanhef
van art. 6:162 BW (‘Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt’).
Uit 6:163 BW vloeit voort dat ook de aard v.d. schade en de wijze waarop
deze is ontstaan onder de bescherming v.d. geschonden norm moet vallen.
Bij de beantwoording v.d. vraag of is voldaan aan het relativiteitsvereiste komt
het aan op het doel en de strekking v.d. geschonden norm HR: Duwbak Linda
Het voornaamste doel van het relativiteitsvereiste is het voorkomen van een te
vergaande aansprakelijkheid als gevolg van een onrechtmatige gedraging.
Het relativiteitsvereiste is met name van belang bij de onrechtmatigheidsgrond
‘strijd met een wettelijke plicht’. In de zeldzame gevallen dat de
onrechtmatigheid kan worden gebaseerd op de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk
op een recht’ is de onrechtmatigheid in beginsel gegeven, omdat het geschonden
recht vanzelfsprekend strekt tot bescherming van de rechthebbende. Voor de
derde onrechtmatigheidsgrond (strijd met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm)
geldt dat de in het concrete geval gevonden betamelijkheidsregel vaak zo
gespecificeerd is dat overtreding daarvan alleen onder deze omstandigheden
tegenover deze benadeelde onrechtmatig is. De relativiteit zit dan als ware
ingebakken in de norm.