Deel 1: psychologie:
De student:
Kan belangrijke factoren (o.a. biologisch, cognitief en sociaal) in de
levensfase ouderdom en over gezond ouder worden beschrijven.
Belangrijke biologische factoren zijn de ontwikkeling van ziektebeelden,
kwetsbaarheid, niet-elastische huid, snelheid, mobiliteit,
immuunsysteem, sterkte van botten, balans, lengte, zintuigen en
hersenvolume. Belangrijke cognitieve factoren zijn dementie, negatieve
blik, geheugen, snelheid van denken, begrip, inlevingsvermogen,
flexibiliteit en autonomie. Belangrijke sociale factoren zijn
eenzaamheid, afhankelijkheid van sociaal netwerk, sociaal netwerk,
sociale evenementen, mogelijkheid om te werken en de mogelijkheid
om mee te gaan met de digitale sociale wereld.
Heeft kennis over eenzaamheid bij ouderen. Ouderen hebben een
grotere kans op eenzaamheid dan jongeren doordat ze minder mobiel
zijn en ze niet meer een volledig gezin hebben zoals jonge mensen wel
hebben. Ze kunnen veel minder makkelijk contact maken, ze hebben
geen werk meer. De kans op eenzaam worden is veel groter. Veel
mensen uit het netwerk van ouderen overlijden.
Kan interventies rond eenzaamheid bij ouderen benoemen. Luisterend
oor bieden, vrijwilligerswerk en buddy zijn.
Kan beschrijven wat het begrip ‘waardigheid’ van ouderen omvat. Het
begrip waardigheid verwijst naar de intrinsieke waarde en het respect
dat elk mens verdient, ongeacht omstandigheden zoals leeftijd,
gezondheid of sociale status. Het is een fundamenteel concept dat
zowel morele als sociale dimensies omvat. Waardigheid wordt vaak
geassocieerd met respect voor iemands autonomie, identiteit en
rechten, evenals de erkenning van de unieke waarde van elk individu.
De student kan uitleggen hoe hij zichzelf schat op de
persoonlijkheidstrek ‘samenwerking’. Slecht ik haat samenwerken.
Deel 2: motiverende gespreksvoering:
De student:
Kan motiverende gesprekstechnieken toepassen. Ja.
Kent het principe van engageren. Het proces van het opbouwen van
een samenwerkingsrelatie en een vertrouwensband tussen de
verpleegkundige en de zorgvrager.
Kan in de communicatie de ‘ORBS’-vaardigheden toepassen. Ja.
Week 14
Deel 1: psychologie – ontwikkeling van kind:
De student:
Kan de belangrijkste biologische en psychologische ontwikkelingen van
kinderen beschrijven. Bij 1 maand: reageert op stemgeluid. Wordt stil
als hij/zij wordt opgepakt. Maakt af en toe stemgeluiden. Bij 2
maanden: glimlacht om contact te maken. Herkent moeder. Rolt van
zijn rug. Tilt hoofd op en houdt het recht en stil. Bij 3 maanden:
reageert met stemgeluiden op glimlach en woordjes van volwassene.
Zoekt bron van geluid. Zit met steun, hoofd stabiel. Bij 4 maanden: blik
volgt bundelende ring, verdwijnende lepelen en bal die over een tafel