100% de satisfacción garantizada Inmediatamente disponible después del pago Tanto en línea como en PDF No estas atado a nada 4.2 TrustPilot
logo-home
Resumen

Samenvatting Neuropsychologische diagnostiek - Hendriks et al.

Puntuación
-
Vendido
-
Páginas
36
Subido en
01-05-2020
Escrito en
2019/2020

Hoofdstukken 2 t/m 9, 11, 12, 16 en 17 van Neuropsychologische diagnostiek van Hendriks et al. voor het vak Neuropsychologische diagnostiek aan de Universiteit Utrecht

Institución
Grado











Ups! No podemos cargar tu documento ahora. Inténtalo de nuevo o contacta con soporte.

Libro relacionado

Escuela, estudio y materia

Institución
Estudio
Grado

Información del documento

¿Un libro?
No
¿Qué capítulos están resumidos?
2 t/m 9, 11, 12, 16, 17
Subido en
1 de mayo de 2020
Número de páginas
36
Escrito en
2019/2020
Tipo
Resumen

Temas

Vista previa del contenido

NEUROPSYCHOLOGISCHE DIAGNOSTIEK – DE KLINISCHE
PRAKTIJK
HENDRIKS ET AL.

Hoofdstuk 4 – Vraagstelling en hypothesevorming
4.1 Van aanvraag naar vraagstelling
Klinisch neuropsychologisch onderzoek: theorievorming over cognitieve stoornis,
operationalisatie en meting en toepassen relevante diagnostische methoden. Aanvraag voor
neuropsychologisch onderzoek moet leiden tot geschikte vraagstelling en daarmee
toetsbare hypothesen.
Patiënten hebben verwachtingen of verborgen agenda bij de aanvraag. Vraagstelling kan op
meerdere manieren geïnterpreteerd worden, diagnosticus moet verwijsvraag omzetten in
toetsbare vraagstelling.

Lezak:
- Diagnostische vraagstelling: gericht op differentiële diagnostiek.
- Beschrijvende vraagstelling: gedragsbeschrijving bijvoorbeeld om tot behandeling te
komen.

Bijttebier: 5 basisvragen:
- Onderkenning: wat zijn de problemen?
- Evaluatie: worden de problemen verholpen door interventie?
- Verklaring: waarom zijn er problemen?
- Predictie: hoe zullen de problemen zich in de toekomst ontwikkelen?
- Indicatie: hoe kunnen de problemen verholpen worden?

Pameijer en van Aarle: 9 soorten vraagstellingen, met ieder eigen onderzoekstypen.
Welke vraagstelling dwingt tot meer gerichte keuze voor operationalisme en dus instrument.

4.2 Hypothesevorming
Begint vanaf eerste aanmelding patiënt, niet altijd expliciet. Bij lezen van aanvraag en het
patiëntendossier al een hypothese stellen op basis van de klachten patient. Dit kunnen
meerdere hypothesen zijn, bij geheugenstoornissen in combinatie met alcoholgebruik
bijvoorbeeld: Korsakov, dementie (als alcohol geen invloed heeft) of depressie. Tijdens
anamnese kunnen hypothesen al verworpen worden of aanvullende verzinnen door nieuwe
informatie die aan het licht komt.
Hypothesen worden gevormd door specifieke kennis over cognitieve theorieen en hersen-
gedrag relaties. Klinische vragen te koppelen aan de wetenschap, beide gelijkwaardig.
Tijdens anamnese vormen en toetsen hypothesen en ook het interpretatieproces.

4.3 Diagnostische cyclus
Psychodiagnostiek is een stapsgewijs proces: cyclus wordt herhaald, bij te weinig informatie
om conclusie te stellen. Gaat veel aandacht naar de verklaringsstap in de cyclus. In
werkelijkheid is het verrichten van wetenschappelijke N=1 studie.
- Genereren aanvankelijke hypothese

,- Toetsen hypothese begint tijdens anamnese, verwerpen en genereren nieuwe
hypothesen
- Primaire gegevens gebaseerd op empirisch gestructureerde en gevalideerde tests.
Inconsistenties leiden tot nieuwe hypothesen die getest gaan worden.
Soms schieten onderzoeksmogelijkheden tekort voor hypothesetoetsing, dan strandt de
diagnostische cyclus. Belang van cyclus is niet het doorlopen ervan maar de
hypothesevorming en toetsing. Een standaard batterij niet geschikt: deze verzamelt
irrelevante informatie.

4.4 Symptomen, syndromen en differentiaaldiagnose
Onbevooroordeeld luisteren naar de klachten, proberen herkennen van syndromen en
patronen in deze klachten. Syndromen zijn clusters van symptomen die vaak samen
voorkomen, mogelijk zelfde pathofysiologie hebben.
 Halo-effect: clinicus ziet klachten en symptomen die er in werkelijkheid niet zijn.
Verband zien tussen klachten of op uiterlijk klachten baseren.
Van belang om symptomen of testresultaten te onderscheiden die de hypothese kunnen
aannemen (inclusie) of die de hypothese kunnen verwerpen (exclusie). Tevens onderscheid
maken tussen consistentie en differentiële waarde van bevinding. Bevinding is consistent als
deze kan passen bij een bepaalde stoornis. Differentiële waarde is als een bevinding
bijdraagt aan differentiaaldiagnostiek: bijvoorbeeld als beginnende dementie en ernstige
depressie de differentiaaldiagnostische mogelijkheden zijn heeft de ernst van
geheugenproblemen differentiële waarde (ernstig wijst op dementie). Als het bij beide
diagnoses evenveel kan voorkomen heeft het geen differentiële waarde, op basis van dat
gegeven kun je geen diagnose stellen. Verdere diagnostiek moet dan op zoek gaan naar het
vinden van aanwijzingen die wel differentieel relevant zijn.

4.5 Waarschijnlijkheid en causaliteit
In diagnose- en indicatiestelling uitspraken doen met een zekere waarschijnlijkheid, bijna
nooit met volledige zekerheid. Kenmerken patiënt worden vergeleken met literatuur. Er is
altijd een foutmarge in de bevindingen omdat predictieve waarden nooit 100% zijn of
normpopulatie niet gelijk is aan patiënt. Rekening houden met de base rate, de a-priorikans
van een bepaalde diagnose.
Conclusie is uitkomst van hypothesetoetsend proces, waarbij hypothese verifieerbaar is of
niet verworpen werd (geen alternatieve hypothesen meer of grens vakgebied bereikt:
ontbreken tests).
Op basis van neuropsychologisch onderzeok kan geen uitspraak gedaan worden over
etiologie van cognitieve disfuncties, medicus moet de medische diagnose stellen. Er kan niet
altijd een causale relatie tussen hersendisfunctie en cognitieve disfunctie uitgesloten
worden, zeker bij niet-acute beelden.
Niet-neurologische verklaringen worden geprobeerd te stellen voor de testresultaten zoals
psychopathologische symptomen, onderpresteren of omgevingsfactoren. Vanuit anamnese
onderzoeken of premorbide al cognitieve klachten waren of dat er huidige psychopathologie
is. Soms kunnen klachten veroorzaakt worden door voorvallen van langer geleden (bij
geboorte anoxie) of is er nog iets anders aan de hand (verborgen tumor), er is dus niet altijd
een causale relatie tussen die specifieke breinvariabele en de cognitieve functies.

,4.6 Tot besluit
Neuropsychologisch onderzoek: verkrijgen op systematische wijze van gegevens
(testresultaten en observaties). Neuropsycholoog is scientist-practicioner die
wetenschappelijke kennis inzet in klinische diagnostiek. Lijkt op neuropsychologisch
onderzoek met één patient door repliceerbaarheid en hypothesetoetsend karakter.



Hoofdstuk 5 – Testselectie en testafname
5.1 Inleiding
Na afronden anamnese en vraagstelling kunnen de hypothesen getoetst worden, de
operationalisme. Er wordt gebruik gemaakt van meerdere informatiebronnen: anamnese,
gedragsobservaties en bestaande onderzoeksinstrumenten. De meeste tests zijn ontwikkeld
voor een bepaalde cognitieve functie, daarom zal een enkele test niet volstaan om de
hypothese te toetsen.

5.2 De keuze van de tests
De keuze hangt af van het doel van het onderzoek, de vraagstelling, en de kenmerken van de
patiënt, bijvoorbeeld of andere eigenschappen het onderzoek zullen beïnvloeden. Valide en
betrouwbare tests die antwoord kunnen geven op de onderzoeksvraag. De prestatie kan
door meerdere factoren beïnvloed worden, daarom afnemen en interpreteren op meerdere
tests. Afwegen of extra tests zinvolle informatie oplevert.

Kwaliteitscriteria
Constructvaliditeit: test moet meten waarvoor de test ontwikkeld is.
Vooral wanneer een test op verschillende momenten in tijd afgenomen moet worden moet
het betrouwbaar zijn. Een goede test heeft een kleine meetfout en een hoge test-
hertestbetrouwbaarheid. Normen van de test moeten gebaseerd zijn op een groot aantal
proefpersonen die vergelijkbaar zijn met de onderzochte patiënt.
Algemene Standaard Testgebruik (AST) van het NIP: validiteit, betrouwbaarheid en
normering moeten voldoende zijn en het instrument moet relevant zijn: het moet
gedragskenmerken meten die van belang zijn voor beantwoorden vraagstelling.

Gegevens over validiteit, betrouwbaarheid en normering worden verzameld en beoordeeld
door Commissie Testaangelegenheden Nederland van het NIP (COTAN). Keuze van tests af
laten hangen van COTAN, echter maar zelden mogelijk. Soms niet goed beoordeeld of nog
niet voorgelegd (vaak buitenlandse tests), dan goed kunnen beargumenteren voor gebruik.
COTAN hanteert algemene criteria die vaak niet in neuropsychologie als voldoende worden
beschouwd. Normeringssteekproef moet 400 personen zijn, betrouwbaarheid in individuele
diagnostiek moet hoger zijn dan 0.80, streng toepassen van deze criteria kan leiden in
neuropsychologie voor foutieve beoordelingen. In individuele diagnostiek is bijvoorbeeld
niet van belang dat het landelijk representatief is. Ook gaat het meer om validiteit dan
betrouwbaarheid, het moet sensitief zijn voor pathologische fenomenen. Voor niet-verbale
tests kunnen buitenlandse normgegevens gebruikt worden.
Andersom beoordeelt de COTAN veel punten goed die in neuropsychologie niet goed zijn.
Dus de neuropsycholoog is altijd op zijn kritische oordeel aangewezen.

, Problemen van herhaald testen
Vaak gevraagd om beloop of herstel van cognitieve functie in kaart te brengen, hiervoor
herhaald onderzoek nodig. Op basis van normgroepen waar al herhaaldelijk onderzoek is
afgenomen kan de score voorspeld worden van een herhaalonderzoek. Wanneer score
binnen betrouwbaarheidsinterval is: niveau cognitieve functie onveranderd, erbuiten is
verslechterd of verbeterd. Echter van weinig tests is de test-hertestgegevens beschikbaar in
Nederland dus kunnen prestatieverschillen niet getoetst worden.
Meestal is vooruitgang te verwachten vanwege oefenen, behandeling of spontaan herstel
(geheugen en leertaken). Echter bij progressieve aandoening achteruitgang te verwachten.
Het probleem van oefeneffecten kan deels voorkomen worden door parallelversies, echter
eerdere ervaringen hebben invloed erop. Mensen weten welke antwoorden verwacht,
hoeven minder lang na te denken en zijn dus sneller, of weten dat er een onverwachts deel
van een test komt.

5.3 De opbouw van het onderzoek
Kort of lang neuropsychologisch onderzoek
Naast de kwaliteit is uitgebreidheid belangrijk bij het onderzoek. Zuinigheidsprincipe:
onderzoek moet niet meer tests bevatten dan nodig voor beantwoorden vraagstelling.

Vaste batterij of individueel toegesneden
Vaste batterij (cognitive-metric approach): strict kwantitatief, volledig gestandaardiseerd,
gericht op detecteren stoornissen en kwantificeren ernst. Voordeel dat het geheel
genormeerd en gevalideerd is.
Flexibele-batterij benadering (flexible approach): hypothesetoetsende manier van
diagnostiek, gericht op kwalitatieve aspecten, aard van stoornis in kaart brengen.
In Nederland aangewezen op flexibele benadering, maar gebruik van vaste batterij die
bestaat uit een reeks testen naar voorkeur, is dus niet in zijn geheel gevalideerd of
genormeerd. Bij veel testen op bepaalde patiënten kan in de loop van de tijd een ‘vaste
batterij’ ontstaan gebaseerd op klinische ervaring.
Vaak combinatie vaste en flexibele benadering: vaste kernbatterij voor intelligentie,
geheugen, executieve functies, aangevuld met tests voor de specifieke vraagstelling.
- Screening: intelligentie, geheugen etc.
- Populatiespecifieke batterij: past bij bepaalde aandoening.
- Domeinspecifieke batterij: in kaart brengen van een cognitieve functie.

Voor- en nadelen van vaste en flexibele testbatterijen
Keuze hangt af van soort vraagstelling. Vaste batterij makkelijk voor standaardafname en
onderzoekers hoeven slechts kennis te hebben van enkele tests. Vaststellen flexibele
testbatterij vereist kennis van alle beschikbare neuropsychologische tests en theorie van
hersen-gedragrelaties (testassistent heeft weinig kennis).
Standaardisatie maakt afname makkelijker maar ook vergelijken van verschillende
testmomenten (veel vergelijkingsmateriaal), tevens mogelijk om grote groepen te
onderzoeken wat goed is voor verzameling normgegevens.
Afnemen vaste batterij maakt individueel onderzoek tijdrovend. Flexibele batterij zoomt in
op vraagstelling, specifiek. Op letten dat relevante stoornissen niet gemist worden. Tijdens
de tests ruimte zijn voor aanvullende tests wanneer nodig.
$10.85
Accede al documento completo:

100% de satisfacción garantizada
Inmediatamente disponible después del pago
Tanto en línea como en PDF
No estas atado a nada

Conoce al vendedor

Seller avatar
Los indicadores de reputación están sujetos a la cantidad de artículos vendidos por una tarifa y las reseñas que ha recibido por esos documentos. Hay tres niveles: Bronce, Plata y Oro. Cuanto mayor reputación, más podrás confiar en la calidad del trabajo del vendedor.
lizadeboer9898 Vrije Universiteit Amsterdam
Seguir Necesitas iniciar sesión para seguir a otros usuarios o asignaturas
Vendido
71
Miembro desde
5 año
Número de seguidores
52
Documentos
11
Última venta
4 meses hace

3.7

3 reseñas

5
0
4
2
3
1
2
0
1
0

Recientemente visto por ti

Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes