Sociale instituties
Inleiding
1 Over België
1.1 Scheiding der machten (Montesquieu op federaal niveau)
Macht Wie? Bevoegdheid
wetgevende macht koning en parlement - wetten maken
- controleren van
uitvoerende
uitvoerende macht koning en regering - het land leiden
- uitvoeren van wetten
rechterlijke macht rechtbanken - uitspraak doen ver
onenigheden
1.2 België is …
- monarchie = koning met beperkte macht
- representatieve monarchie = bevolking kiest wie hen vertegenwoordigt
- rechtsstaat = zowel burgers als overheid moet
rechtsregels volgen
- federaal gedecentraliseerd = overheid wijst macht toe aan autonome
organen
1.2.1 Hiërarchie der bestuur en rechtsnormen (federale decentralisatie)
Rechtsnormen
grondwet
wetten, decreten &
ordonnanties
uitvoeringsbesluiten
provinciale verordening
gemeentelijke verordening
Bestuur
federale overheid
gewesten &
gemeenschappen
provincies
,gemeenten
Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechterlijke macht
Steden & gemeenteraad - burgemeester hoven en
gemeenten - schepenen rechtbanken
Provincies provincieraad - gouverneur hoven en
- rechtbanken
bestendigedeputati
e
Gewesten & parlement/ - regering hoven en
gemeenschappen gewestraad rechtbanken
Sociale instituties
Hoofdstuk 1: welzijn in de verzorgingsstaat
1 Definitie welvaartsstaat/ verzorgingsstaat (via Herman Deleeck)
De samenlevingsvorm van sommige rijke geïndustrialiseerde landen waarbij een
aantal grondrechten van de burger effectief gewaarborgd worden.
Deze grondrechten zijn bedoeld om zijn materiële welvaar en zijn kansen tot
ontplooiing te bevorderen.
Dit alles gebeurt binnen de parlementaire democratie en met behoud van de vrije
markt-economische productiewijze.
1.1 Kenmerken welvaarstaat (via definitie Deleeck)
Hoog welvaartspeil
- hooggeorganiseerde economie
- goeie algemene levensstandaard
-voortdurende econmische groei
Overheidsoptreden
- sociale zekerheid
- gesubsidieerde dienstverlening
Grondrechten
- preventief organiseren van solidariteit
- uitbouwen van zorgapparaat (sociale instituties)
,Vrije markt en overleg
- overleg tussen ondernemers en vertegenwoordigers
- vertegenwoordigers verdedigen de belangen van burgers
Democratie
- niet autoritair
- overleg en inspraak
1.2 Visie van andere sociologen
Van Doorn: - maatschappelijke belichaming van garantieformule
- uitgebereid stelsel van voorzieningen
Thoenes: - rechtsvorm met overheidszorg
- afhankelijk van kapitalistisch productiesysteem
2 Onstaan welvaartstaat
Fase 1: ‘De sociale kwestie’
(1800-1880)
- iets grotere levensstandaard door industrialisatie
- weinig tusssenkomst overheid (-)
- hongersnood & kinderarbeid (geen sociale bescherming)
- solidariteit via coöperatieves (voorlopers van ziekenfondsen)
Fase 2: ‘Eerste sociale wetten ter bescherming van arbeiders
(1880-1919)
- leerplicht en verbod op kinderarbeid (zondagrust)
- meervoudig stemrecht (1893) & mannenlijk stemrecht (1919)
- oprichting vakbonden
Fase 3: ‘Sociaal overleg’ (Tussen WOI en
WOII)
- economische crisis & toenemende werkloosheid
- besef dat overheidsingrijpen nodig is
- groeiend belang sociaal overleg
Fase 4: ‘Concrete uitbouw en bloei welvaartstaat’ (Na
WOII tot 1973)
- uitbouw sociale zekerheid & zorgvoorzieningen
- bleef stilstaan vanaf 1973 (oliecrisis)
- systeem herbekeken (interbellum = verplicht verzekert)
Fase 5: ‘De actieve welvaartstaat’ (eind
20ste eeuw)
- grote besparingen
- welvaart staat biedt bescherming (via bijstandstelsels)
, - betaalbaarheid SZ onder druk door oa. vergrijzing
2.1 Verzuilde wetvaartsstaat (niet-staats)
Niet staats: - sociale organisaties betrokken (besluitvorming & uitbetaling)
- door overheid gecontroleerd
Verzuild: - verzuild in 3 kieskeurige ideologiëen (liberaal, katholiek,
socialisme)
2.2 Actieve welvaartstaat (de schaduwzijde)
Verandering op demografisch vlak
- vergrijzing (& ontgroening)
- veranderende leefpatronen (éénouder gezinnen, vrouwenarbeid)
- toenemende druk betalen RZS (rijksdienst sociale zekerheid)
- verhoogde activiteitsgraad op arbeidsmarkt als doelstelling
2.3 Nieuwe sociale kwestie
- kennis belangrijker dan ooit door evolutie industriële naar post-industriële
- kloof tussen hoog -en laag opgeleid steeds groter
- moeilijk aan te pakken meet de oude remedies (nood naar nieuwe oplossing)
- makkelijker om nieuwe risisco’s te achterhalen (roken= longkanker/vet eten=
hartziekten)
3 Begrippen in de welvaartsstaat
Welzijn (welbevinden) is…
- toestand van welbevinden
- tot ontplooiing van bestaan met respect voor ontplooiing anderen
- fysisch, psychisch, relationeel & materieel alle nodige mogelijkheden
Welzijnsbeleid
- beleidom welzijn te bevorderen
- vertakt in verantwoordelijke sectoren en instanties
- nog breder als ‘sociaal beleid’ (overheid verantwoordelijk)
Welzijnszorg
- antwoord bij probleem/noodsituaties
- noden veranderen constant
Welzijnszorgbeleid
- specifiek beleidsterrein
- minister van welzijn verantwoordelijk voor (Wouter Beke)
4 Indeling in sectoren of categoriën
Sectoriaal beleid
- gericht naar verschillende domeinen maatschappij (onderwijs, cultuur,
welzijnszorg,..)
Inleiding
1 Over België
1.1 Scheiding der machten (Montesquieu op federaal niveau)
Macht Wie? Bevoegdheid
wetgevende macht koning en parlement - wetten maken
- controleren van
uitvoerende
uitvoerende macht koning en regering - het land leiden
- uitvoeren van wetten
rechterlijke macht rechtbanken - uitspraak doen ver
onenigheden
1.2 België is …
- monarchie = koning met beperkte macht
- representatieve monarchie = bevolking kiest wie hen vertegenwoordigt
- rechtsstaat = zowel burgers als overheid moet
rechtsregels volgen
- federaal gedecentraliseerd = overheid wijst macht toe aan autonome
organen
1.2.1 Hiërarchie der bestuur en rechtsnormen (federale decentralisatie)
Rechtsnormen
grondwet
wetten, decreten &
ordonnanties
uitvoeringsbesluiten
provinciale verordening
gemeentelijke verordening
Bestuur
federale overheid
gewesten &
gemeenschappen
provincies
,gemeenten
Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechterlijke macht
Steden & gemeenteraad - burgemeester hoven en
gemeenten - schepenen rechtbanken
Provincies provincieraad - gouverneur hoven en
- rechtbanken
bestendigedeputati
e
Gewesten & parlement/ - regering hoven en
gemeenschappen gewestraad rechtbanken
Sociale instituties
Hoofdstuk 1: welzijn in de verzorgingsstaat
1 Definitie welvaartsstaat/ verzorgingsstaat (via Herman Deleeck)
De samenlevingsvorm van sommige rijke geïndustrialiseerde landen waarbij een
aantal grondrechten van de burger effectief gewaarborgd worden.
Deze grondrechten zijn bedoeld om zijn materiële welvaar en zijn kansen tot
ontplooiing te bevorderen.
Dit alles gebeurt binnen de parlementaire democratie en met behoud van de vrije
markt-economische productiewijze.
1.1 Kenmerken welvaarstaat (via definitie Deleeck)
Hoog welvaartspeil
- hooggeorganiseerde economie
- goeie algemene levensstandaard
-voortdurende econmische groei
Overheidsoptreden
- sociale zekerheid
- gesubsidieerde dienstverlening
Grondrechten
- preventief organiseren van solidariteit
- uitbouwen van zorgapparaat (sociale instituties)
,Vrije markt en overleg
- overleg tussen ondernemers en vertegenwoordigers
- vertegenwoordigers verdedigen de belangen van burgers
Democratie
- niet autoritair
- overleg en inspraak
1.2 Visie van andere sociologen
Van Doorn: - maatschappelijke belichaming van garantieformule
- uitgebereid stelsel van voorzieningen
Thoenes: - rechtsvorm met overheidszorg
- afhankelijk van kapitalistisch productiesysteem
2 Onstaan welvaartstaat
Fase 1: ‘De sociale kwestie’
(1800-1880)
- iets grotere levensstandaard door industrialisatie
- weinig tusssenkomst overheid (-)
- hongersnood & kinderarbeid (geen sociale bescherming)
- solidariteit via coöperatieves (voorlopers van ziekenfondsen)
Fase 2: ‘Eerste sociale wetten ter bescherming van arbeiders
(1880-1919)
- leerplicht en verbod op kinderarbeid (zondagrust)
- meervoudig stemrecht (1893) & mannenlijk stemrecht (1919)
- oprichting vakbonden
Fase 3: ‘Sociaal overleg’ (Tussen WOI en
WOII)
- economische crisis & toenemende werkloosheid
- besef dat overheidsingrijpen nodig is
- groeiend belang sociaal overleg
Fase 4: ‘Concrete uitbouw en bloei welvaartstaat’ (Na
WOII tot 1973)
- uitbouw sociale zekerheid & zorgvoorzieningen
- bleef stilstaan vanaf 1973 (oliecrisis)
- systeem herbekeken (interbellum = verplicht verzekert)
Fase 5: ‘De actieve welvaartstaat’ (eind
20ste eeuw)
- grote besparingen
- welvaart staat biedt bescherming (via bijstandstelsels)
, - betaalbaarheid SZ onder druk door oa. vergrijzing
2.1 Verzuilde wetvaartsstaat (niet-staats)
Niet staats: - sociale organisaties betrokken (besluitvorming & uitbetaling)
- door overheid gecontroleerd
Verzuild: - verzuild in 3 kieskeurige ideologiëen (liberaal, katholiek,
socialisme)
2.2 Actieve welvaartstaat (de schaduwzijde)
Verandering op demografisch vlak
- vergrijzing (& ontgroening)
- veranderende leefpatronen (éénouder gezinnen, vrouwenarbeid)
- toenemende druk betalen RZS (rijksdienst sociale zekerheid)
- verhoogde activiteitsgraad op arbeidsmarkt als doelstelling
2.3 Nieuwe sociale kwestie
- kennis belangrijker dan ooit door evolutie industriële naar post-industriële
- kloof tussen hoog -en laag opgeleid steeds groter
- moeilijk aan te pakken meet de oude remedies (nood naar nieuwe oplossing)
- makkelijker om nieuwe risisco’s te achterhalen (roken= longkanker/vet eten=
hartziekten)
3 Begrippen in de welvaartsstaat
Welzijn (welbevinden) is…
- toestand van welbevinden
- tot ontplooiing van bestaan met respect voor ontplooiing anderen
- fysisch, psychisch, relationeel & materieel alle nodige mogelijkheden
Welzijnsbeleid
- beleidom welzijn te bevorderen
- vertakt in verantwoordelijke sectoren en instanties
- nog breder als ‘sociaal beleid’ (overheid verantwoordelijk)
Welzijnszorg
- antwoord bij probleem/noodsituaties
- noden veranderen constant
Welzijnszorgbeleid
- specifiek beleidsterrein
- minister van welzijn verantwoordelijk voor (Wouter Beke)
4 Indeling in sectoren of categoriën
Sectoriaal beleid
- gericht naar verschillende domeinen maatschappij (onderwijs, cultuur,
welzijnszorg,..)