Hoofdstuk 11
In het voorarrest laten zich een viertal fasen onderscheiden:
A ophouden voor onderzoek (61 Sv; artt. 56a en 56b Sv (nieuw))
Het gaat hier om een betrekkelijk korte periode die in uren wordt berekend. Het bevel tot
het ophouden voor onderzoek dient door een officier van justitie of een hulpofficier te
worden gegeven.
B inverzekeringstelling (57 e.v. Sv)
De inverzekeringstelling kan maximaal 6 dagen duren. Het bevel daartoe dient weer door
een officier van justitie of een hulpofficier te worden gegeven en heeft een geldigheidsduur
van maximaal drie dagen. De officier van justitie kan het bevel evenwel één keer met nog
eens drie dagen verlenen.
C bewaring (63 e.v. Sv)
Een bevel tot bewaring kan maximaal voor een termijn van maximaal 14 dagen worden
gegeven. Dit dient te geschieden door de rechter-commissaris (RC) op vordering van de
officier van justitie.
D gevangenhouding (65 e.v. Sv)
De gevangenhouding kan voor een termijn van maximaal 90 dagen worden bevolen. Het
bevel wordt gegeven door de raadkamer van de rechtbank. Binnen de termijn van 90 dagen
dient de terechtzitting een aanvang te hebben genomen. Het bevel gevangenhouding blijft
dan vervolgens gedurende de terechtzitting van kracht 66 lid 2 Sv.
Onder de voorlopige hechtenis vallen, zo blijkt uit art. 133 Sv, de bewaring en de
gevangenhouding, maar niet het ophouden voor onderzoek en de inverzekeringstelling. Die
gaan aan de voorlopige hechtenis vooraf. Tot de voorlopige hechtenis wordt ook de
gevangenneming gerekend.
Voor alle bevelen tot voorlopige hechtenis geldt, dat zij door een rechter worden gegeven.
Voorlopige hechtenis mag alleen bevolen worden als aan bepaalde in de wet neergelegde
voorwaarde is voldaan. Die voorwaarden zijn voor alle bevelen tot voorlopige hechtenis
gelijk. Men onderscheidt daarbij de ‘gevallen’ en de ‘gronden’. Er moet steeds sprake zijn
van een geval tot voorlopige hechtenis, dat wil zeggen van de verdenking van strafbaar feit
waarvoor de wet voorlopige hechtenis toelaat (67 Sv). Daarnaast moet er ook nog een grond
(een wettelijke reden) zijn om voorlopige hechtenis te bevelen (67a Sv). Deze artikelen
bevatten bovendien nog twee algemene voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, namelijk
de eis van ‘ernstige bezwaren’ en het anticipatiegebod.
Gevallen
Het uitgangspunt van de wetgever is geweest dat voorlopige hechtenis alleen mag worden
bevolen als de verdenking tegen de verdachte een ernstig strafbaar feit betreft. De 67 lid 1
sub a Sv vooropgestelde hoofdregels is dat het moet gaan om een misdrijf waarop 4 jaar
gevangenisstraf of meer is gesteld. in 67 lid 1 sub b en c wordt aanvullend een limitatieve
opsomming gegeven van misdrijven waarop een lagere straf is gesteld waar ook voorlopige
hechtenis is toegelaten.
Een andersoortige uitzondering op de hoofdregel is neergelegd in 67 lid 2, die heeft
betrekking op verdachten die in Nederland geen bekende woon- of verblijfplaats hebben. De
reden voor deze uitzondering is gelegen in de problemen die de onbereikbaarheid van de
, verdachte met zich brengt voor zowel de vervolging en berechting als de executie van de
eventueel opgelegde straf.
Artikel 67 Sv is niet alleen van belang voor de toepassing van voorlopige hechtenis. Het
artikel vervult een kernrol in de wettelijke regeling van de dwangmiddelen in het algemeen.
Gronden
Er moet, naast een geval van voorlopige hechtenis, ook een goede reden, een grond voor
voorlopige hechtenis zijn. In 67a Sv zijn die gronden, althans voor zover het gaat om de
procedure in eerste aanleg, limitatief opgesomd.
In het eerste lid van 67a Sv worden twee gronden onderscheiden: 1 een ernstig gevaar voor
vlucht; en 2 een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid. Dit laatste grond wordt
vervolgens in het tweede lid uitgewerkt.
A Gevaar voor vlucht: vluchtgevaar vormt alleen een reden voor voorlopig hechtenis als dat
gevaar ernstig en concreet is. Volgens de wet moet het vaar blijken uit bepaalde
gedragingen van de verdachten of uit bepaalde omstandigheden die hem persoonlijk
betreffen.
B geschokte rechtsorde: voorlopige hechtenis is mogelijk als de verdenking een zeer ernstig
feit betreft. Het gaat daarbij niet alleen om de ernst in abstracto (op het feit moet een
gevangenisstraf van 12 jaar of meer zijn gesteld), maar ook om de ernst in concreto: de
rechtsorde moet door dat feit ernstig zijn geschokt.
C gevaar voor recidive I: voorkoming van nieuwe misdrijven vormt eveneens een grond voor
voorlopige hechtenis. Volgens 67a lid 2 sub 2e Sv moet het daarbij gaan om misdrijven
waarop 6 jaar gevangenisstraf of meer is gesteld of misdrijven waardoor de veiligheid van de
staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel
algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan.
D gevaar voor recidive II: tweede recidivegrond lid 2 onder 3e. als de verdenking betrekking
heeft op één van de aldaar limitatief opgesomde vermogensmisdrijven en er ernstig
rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer zo’n misdrijf zal begaan, is
voorlopige hechtenis mogelijk. Gelden wel twee voorwaarden: 1 de verdachte moet eerder
voor één van die misdrijven onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende
straf of maatregel, tot een vrijheidsbeperkende maatregel of tot een taakstraf; en 2 sinds het
onherroepelijk worden van die veroordeling mag niet meer dan 5 jaar zijn verstreken.
E toepassing snelrecht bij ordeverstoring: de wetgever dacht aan onder meer grootschalige
ordeverstoringen bij voetbalwedstrijden en oudejaarsvieringen waarbij het wenselijk is dat
daartegen door de toepassing van snelrecht wordt opgetreden. Ook werd gedacht aan de
toepassing van snelrecht bij agressie tegen bijvoorbeeld ambulancepersoneel.
F het onderzoeksbelang: de voorlopige hechtenis moet in redelijkheid noodzakelijk zijn voor
het aan de dag brengen van de waarheid. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om de noodzaak
de verdachte nog verder te verhoren. De noodzaak moet bestaan in het ‘anders dan door
verklaringen van de verdachte’ aan de dag te brengen van de waarheid.
Artikel 75 lid 1 Sv noemt nog een andere grond voor voorlopige hechtenis. Deze heeft
uitsluitend betrekking op de fase in hoger beroep. Als de verdachte door de rechtbank is
veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, is dat de grond waarop het hof
de gevangenhouding kan verlenen of de gevangenneming kan bevelen, mits de verdachte
daardoor niet langer vastzit dan op grond van de straf of maatregel mogelijk zou zijn.
Ernstige bezwaren en anticipatiegebod