FYSIOTHERAPIE
Thema 4
HOC
,Thema 4
Week 1 – CLT: Screening (heup)
Algemene rode vlaggen en specifieke rode vlaggen
- Zie hiervoor richtlijn heup!
Belangrijk dit thema is het weten en kennen van de richtlijnen! Dit komt heel veel en heel vaak terug.
Screenen: pluis/niet pluis, algemene rode vlaggen/specifieke rode vlaggen, iemand informeren.
Kennis van rode vlaggen die beschreven staan in richtlijn artrose heup/knie zijn belangrijk om te
kennen.
Dit thema als voorbereiding op de lessen de richtlijnen doornemen!
OAC 5 lijn = rehaboom Twan van de Golberg iemand van voetbal die een bepaald schema heeft
gemaakt om iemand terug te laten keren in het voetbalspel. Richtinggevend hoe ik mijn oefentherapie
ga opbouwen. Wanneer ga ik met iets beginnen in mijn therapie (tijdspad).
Oefentherapie beginnen rekening houdend met grond motorische eigenschappen.
Ook moet je kennis hebben van parameters, handig om dit uit je hoofd te kennen!
Coping stijlen: gedrag- en probleem-georiënteerd.
Psychologische verklaringsmodellen bedoeld om richting te geven welke behandelinterventies je
nodig hebt om invulling te geven aan de psych.
Gedrag: great activiti
Great explosere
Educatie: informeren van patiënt.
Weten wat er in fysiotherapeutische diagnose moet komen.
Klinisch redenatie formulier doorlopen.
Week 1 – OAC 4: Definitieve hypothese
Wat zit er in een definitieve hypothese:
- Regio
- Problematische handeling (sub-handeling)
- GME/regio specifieke aandoening/psychosociale betrokkenheid
Je stelt een definitieve hypothese als slotsom van je hele onderzoek, dus na het uitvoeren van het
praktische gedeelte van je onderzoek.
Diagnostiek i/d Fysiotherapie anamnese Blz 65 e.v. HOAC II
Onderzoek of Probleem- Vroege hypothesen Beginfase Aanmelding (verwijzing)
diagnostische fase oriëntatie aanmelding
Initiële hypothese
Probleem- Hypothese- vorming Exploratieve Anamnese Anamnese
analyse en hypothese- fase Bijgestelde
toetsing Hypothese
Onderzoek Onderzoek op ICF
niveau
Probleem- Werkhypothese Beslissings- FT.Diagnose Klinimetrie
definitie fase
Indicatie Definitieve
Hypothese
Behandeling of Probleem Plannings- Behandelplan Advies Behandel-
therapeutische fase oplossing fase doelstelling
Hypothese- vorming Uitvoerings Behandeling Behandeling
en Hypothese- fase
toetsing
Afsluitings- (eind) Evaluatie Evaluatie
fase
Verslaglegging
correspondentie
, Thema 4
Cott: beschrijving op niveaus, van micro- naar macroniveau.
Moleculair, subcellulair, cellulair, tissue (= weefsel), orgaansysteem, gedeelte van body/lichaam, body
(= leefstijl groepen, hele lijf), person in environment (= lichaam in bepaalde omgeving, bijv. iemand
van platteland of iemand uit stad), person in society (= in maatschappelijk opzicht).
Altijd spelen interne en externe factoren een rol, zowel op mirco- als op macroniveau. Dat
bepaalt het persoonlijke van een patiënt. Dit heet het movement continuum (Cott). Daarnaast kijk je
naar wat het instapniveau van de patiënt is op het movement continuum.
Bij een patiënt heb je altijd te maken met:
- Prefered movement capacity = hulpvraag
- Current movement capacity = fysiotherapeutische diagnose (dit kan je op dit moment)
- Maximal achievable movement potential = prognose
Wat wil je kunnen (participatie) wat staat je in de weg (problematische handeling) (activiteit) dan
blijft er een functiestoornis over (functiestoornis)
Onderdelen van oriënterend onderzoek:
1. Anamnese
2. Activiteiten onderzoek (stap 1 t/m 4)
3. Inspectie
4. Oriënterende palpatie
5. Actief onderzoek
6. Passief onderzoek
7. Weerstand onderzoek
8. Specifiek myogeen (lengte) onderzoek
- PSK = domein activiteiten evaluatie
- HOOS/KOOS = regio specifiek: artrose heup/knie richtlijn. Meet functiestoornissen en
beperkende activiteiten. Diagnostisch
- GALN = gang analyse nijmegen: enkelrichtlijn. Gaat over looppatroon, observatielijst. Eind van
de stip aangeven of iets prioriteit heeft, richting geven aan onderzoek.
- TUG = time up and go test: heup/knie artrose
- Lysholm = VKB-letsel, meet functiestoornissen en beperkende activiteiten
Interventie: Myogeen mobiliteitsverlies = spierlengte test
Arthrogeen mobiliteitsverlies = bewegingsonderzoek
Krachtverlies = weerstandsonderzoek
Fysiotherapeutische diagnose:
Een beroepsspecifiek oordeel van de fysiotherapeut over het gezondheidsprofiel van een patiënt als
basis voor het behandelplan. Minimaal aanwezig:
- Leeftijd + contactreden patiënt: bij aanmelden
- Gezondheidsprobleem qua aard (ICF), na onderzoek
- Beloop (tijdslijn), anamnese je moet dit echt benoemen in je diagnose
- Prognose (onderliggende medische factoren, externe/omgeving factoren, persoonlijke
factoren), in anamnese
- Hulpvraag
Week 1 – OAC 5: MTT
Thema 4
HOC
,Thema 4
Week 1 – CLT: Screening (heup)
Algemene rode vlaggen en specifieke rode vlaggen
- Zie hiervoor richtlijn heup!
Belangrijk dit thema is het weten en kennen van de richtlijnen! Dit komt heel veel en heel vaak terug.
Screenen: pluis/niet pluis, algemene rode vlaggen/specifieke rode vlaggen, iemand informeren.
Kennis van rode vlaggen die beschreven staan in richtlijn artrose heup/knie zijn belangrijk om te
kennen.
Dit thema als voorbereiding op de lessen de richtlijnen doornemen!
OAC 5 lijn = rehaboom Twan van de Golberg iemand van voetbal die een bepaald schema heeft
gemaakt om iemand terug te laten keren in het voetbalspel. Richtinggevend hoe ik mijn oefentherapie
ga opbouwen. Wanneer ga ik met iets beginnen in mijn therapie (tijdspad).
Oefentherapie beginnen rekening houdend met grond motorische eigenschappen.
Ook moet je kennis hebben van parameters, handig om dit uit je hoofd te kennen!
Coping stijlen: gedrag- en probleem-georiënteerd.
Psychologische verklaringsmodellen bedoeld om richting te geven welke behandelinterventies je
nodig hebt om invulling te geven aan de psych.
Gedrag: great activiti
Great explosere
Educatie: informeren van patiënt.
Weten wat er in fysiotherapeutische diagnose moet komen.
Klinisch redenatie formulier doorlopen.
Week 1 – OAC 4: Definitieve hypothese
Wat zit er in een definitieve hypothese:
- Regio
- Problematische handeling (sub-handeling)
- GME/regio specifieke aandoening/psychosociale betrokkenheid
Je stelt een definitieve hypothese als slotsom van je hele onderzoek, dus na het uitvoeren van het
praktische gedeelte van je onderzoek.
Diagnostiek i/d Fysiotherapie anamnese Blz 65 e.v. HOAC II
Onderzoek of Probleem- Vroege hypothesen Beginfase Aanmelding (verwijzing)
diagnostische fase oriëntatie aanmelding
Initiële hypothese
Probleem- Hypothese- vorming Exploratieve Anamnese Anamnese
analyse en hypothese- fase Bijgestelde
toetsing Hypothese
Onderzoek Onderzoek op ICF
niveau
Probleem- Werkhypothese Beslissings- FT.Diagnose Klinimetrie
definitie fase
Indicatie Definitieve
Hypothese
Behandeling of Probleem Plannings- Behandelplan Advies Behandel-
therapeutische fase oplossing fase doelstelling
Hypothese- vorming Uitvoerings Behandeling Behandeling
en Hypothese- fase
toetsing
Afsluitings- (eind) Evaluatie Evaluatie
fase
Verslaglegging
correspondentie
, Thema 4
Cott: beschrijving op niveaus, van micro- naar macroniveau.
Moleculair, subcellulair, cellulair, tissue (= weefsel), orgaansysteem, gedeelte van body/lichaam, body
(= leefstijl groepen, hele lijf), person in environment (= lichaam in bepaalde omgeving, bijv. iemand
van platteland of iemand uit stad), person in society (= in maatschappelijk opzicht).
Altijd spelen interne en externe factoren een rol, zowel op mirco- als op macroniveau. Dat
bepaalt het persoonlijke van een patiënt. Dit heet het movement continuum (Cott). Daarnaast kijk je
naar wat het instapniveau van de patiënt is op het movement continuum.
Bij een patiënt heb je altijd te maken met:
- Prefered movement capacity = hulpvraag
- Current movement capacity = fysiotherapeutische diagnose (dit kan je op dit moment)
- Maximal achievable movement potential = prognose
Wat wil je kunnen (participatie) wat staat je in de weg (problematische handeling) (activiteit) dan
blijft er een functiestoornis over (functiestoornis)
Onderdelen van oriënterend onderzoek:
1. Anamnese
2. Activiteiten onderzoek (stap 1 t/m 4)
3. Inspectie
4. Oriënterende palpatie
5. Actief onderzoek
6. Passief onderzoek
7. Weerstand onderzoek
8. Specifiek myogeen (lengte) onderzoek
- PSK = domein activiteiten evaluatie
- HOOS/KOOS = regio specifiek: artrose heup/knie richtlijn. Meet functiestoornissen en
beperkende activiteiten. Diagnostisch
- GALN = gang analyse nijmegen: enkelrichtlijn. Gaat over looppatroon, observatielijst. Eind van
de stip aangeven of iets prioriteit heeft, richting geven aan onderzoek.
- TUG = time up and go test: heup/knie artrose
- Lysholm = VKB-letsel, meet functiestoornissen en beperkende activiteiten
Interventie: Myogeen mobiliteitsverlies = spierlengte test
Arthrogeen mobiliteitsverlies = bewegingsonderzoek
Krachtverlies = weerstandsonderzoek
Fysiotherapeutische diagnose:
Een beroepsspecifiek oordeel van de fysiotherapeut over het gezondheidsprofiel van een patiënt als
basis voor het behandelplan. Minimaal aanwezig:
- Leeftijd + contactreden patiënt: bij aanmelden
- Gezondheidsprobleem qua aard (ICF), na onderzoek
- Beloop (tijdslijn), anamnese je moet dit echt benoemen in je diagnose
- Prognose (onderliggende medische factoren, externe/omgeving factoren, persoonlijke
factoren), in anamnese
- Hulpvraag
Week 1 – OAC 5: MTT