Standplaats Harreveld
Gekerm galmt door de gang van Artemis 2, de afdeling voor meisjes met een borderline stoornis in de justitiële behandelinrichting
Harreveld in Almelo. "Nee, nee!" Johanna wordt door vier groepsleiders van haar kamer getrokken. Ze wil niet, ze schreeuwt, ze huilt en
ze vecht. Johanna is een stevige dame. De mannen met witte plastic handschoenen grijpen een been of arm. Johanna gaat gestrekt
tussen hen in de trap af.
‘Mama!’ brult ze. De zware deur van de isoleerruimte vliegt open. In de hoek van de kale kamer ligt een plastic mat. Johanna - die hier
zit vanwege een zedendelict - wordt op haar buik neergelegd. Twee mannen zitten op haar benen, twee zitten in haar oksels en houden
de armen in bedwang.
Groepsleider Martijn praat in haar oor: "Je bent in Artemis", zegt hij. "Je moeder is er niet, maar wij zijn bij je". Het schreeuwen van
Johanna verandert langzaam in snikken.
Plakken en kleven, zo noemt Martijn het in bedwang houden van een bewoner die uit haar dak gaat. "Johanna is een loeisterk meisje,
die trapt zo een ruit in", zegt Martijn. Daarom gaat ze in de ‘iso’, ze is dan geen gevaar voor zichzelf en anderen. Martijn probeert haar
zo snel mogelijk uit de psychose te krijgen. Eerst verheft hij zijn stem, later maakt hij fluisterende geluidjes in haar oor. "Ik weet dat ze
daarop reageert".
Dit is een fragment uit een serie verhalen in de Volkskrant, die in de zomer van 2005 door Aimée Kiene zijn opgetekend. Harreveld is
een behandelcentrum voor jeugdige daders met een psychiatrische stoornis. In Harreveld leren therapeuten aan de hand van een
zogenoemde delictcirkel daders van de delicten aan het spreken te krijgen over de emoties die ze hadden voordat ze het delict
pleegden.
Harreveld leert ze manieren om uit de cirkel te breken.
Het verhaal van Richard
Op mijn 18e kreeg ik van van mijn zoveelste hulpverlener te horen dat ik een persoonlijkheidsstoornis had. Eerst had ik ADHD, zeiden
ze, nu was het ineens borderline. Enfin, hulpverleners kunnen niet met mij omgaan; evenmin als die mensen uit mijn klas, mijn ouders,
broertje of zusje, de buren enzovoort. Op school werd ik veel gepest omdat ik ‘anders’ was. Vrienden had ik soms voor een tijdje. Het
liep altijd uit op ruzie.