Jeugdcriminaliteit artikelen
Inhoud
Jeugdcriminaliteit artikelen......................................................................................................... 1
Weijers H1, H3 & H15.............................................................................................................. 2
Hendriks H2 & H29.................................................................................................................. 3
Thompson & Morris................................................................................................................. 4
Klassieke theorieën over jeugdcriminaliteit.........................................................................4
Psychologische theorieën..................................................................................................... 4
Sociologische theorieën....................................................................................................... 4
Control theorieën BEIDE HIRSCHI......................................................................................... 5
Biologische theorieën........................................................................................................... 5
Farrington & Malvaso 2023...................................................................................................... 5
Hendriks H6, H8 & H12........................................................................................................... 5
Assink et al. 2015.................................................................................................................... 6
Yohoros 2022........................................................................................................................... 7
Weijers H9............................................................................................................................... 7
Hendriks H3, H37 & H10......................................................................................................... 8
Whittaker et al. 2020............................................................................................................... 9
Ferweda & Ham 2017.............................................................................................................. 9
Hendriks H7 & H17................................................................................................................ 10
Assink et al. 2016.................................................................................................................. 11
Assink et al. 2019.................................................................................................................. 11
Belsky 1980........................................................................................................................... 12
Van dijk et al. 2022................................................................................................................ 13
Besemer et al. 2017.............................................................................................................. 13
Eichelscheim 2019................................................................................................................ 14
Calderoni et al. 2022............................................................................................................. 14
Van den Broek et al. 2022..................................................................................................... 15
Peeters 2022......................................................................................................................... 15
Boertien et al., 2024 ARTIKEL................................................................................................ 16
Hendriks H13, H31, H32 & H5............................................................................................... 16
Christensen & Baker 2020..................................................................................................... 19
Hendriks H4, H11, H15 & H9................................................................................................. 19
Gilsing et al. 2015................................................................................................................. 21
Boon et al. 2018.................................................................................................................... 21
Van der Put et al. 2014.......................................................................................................... 22
Beerthuizen et al., 2023........................................................................................................ 22
Wissink et al., 2023............................................................................................................... 23
,Weijers H1, H3 & H15
Verschillende bronnen die inzicht geven in criminaliteitscijfers
- Politiestatistieken (aangehouden VERDACHTEN van een misdrijf)
o Zeggen weinig over de vraag of er sprake is van een toename
o Beïnvloeding door meldingsbereidheid en beleidsprioriteiten
o Dark number is hoog
o Justitiële statistieken (DADERS strafrechtelijk) filtering delicten, afhankelijk
van inspanning
- Zelfrapportages
o Geven goed beeld over voorkomende jeugddelicten en maken ook kenmerken
van ‘gezonde’ jeugddelinquentie zichtbaar
o Beperkt aantal delicten kunnen in enquête worden opgenomen
o Sommige daders zijn moeilijk te bereiken (veel sprake van onderrapportage)
o Geeft geen goed beeld van ernst delicten > schade en gevolgen voor
slachtoffers
- Slachtofferenquêtes
o Goede indruk van ontwikkeling aantal slachtoffers
o Onderrapportage van bepaalde slachtoffers (moord, seksueel etc.)
o Geeft geen uitsluitsel over leeftijd van daders
In de jaren 90 kregen jeugddelinquentie incidenten veel media aandacht en lieten
politiegegevens een toename van jeugdcriminaliteit zien, wat leidde tot een roep om
effectievere aanpakken. Jongeren zijn de afgelopen halve eeuw afhankelijker geworden (door
leerplicht tot 18) en worden nu serieuzer genomen. Het hebben van een ‘veilige plek’ is voor
jongeren noodzakelijk om problemen te weerstaan.
In de Monitor Jeugdcriminaliteit (MJC) worden de ontwikkelingen van jeugdcriminaliteit
gemeten op basis van daders die zelfrapportage doen, verdachte daders volgens de politie EN
strafrechtelijke daders, waarbij het OM of de rechter een jongere schuldig heeft bevonden
Age-crime-curve: jeugden die met politie in aanraking komen neemt vanaf 12 e
jaar toe, bereikt een piek rond het 18e-20e jaar en neemt daarna weer af
Monitor Zelf gerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ) is de enige landelijke
dekkende monitor die nog met regelmaat wordt uitgevoerd.
o Geweld is de grootste vorm van delicten onder jongeren > jongens plegen
meer delicten
o Zelfrapportage cijfers worden wel minder (goed) > kan komen door bijv. meer
agenten, minder alcoholconsumptie of toevallige sociaal demografische
ontwikkelingen
Jongvolwassenen (18-25) worden het meeste aangehouden (VERDACHTEN) >
hierdoor is het absolute aantal jeugdige verdachten van 12-25 ook gegroeid
o Wel zijn de minderjarige en jongvolwassene verdachten verminderd over tijd
Meeste DADERS zitten in de groep van 18-23 jarigen
Risicofactoren die criminaliteit behouden en vergemakkelijken:
1. Individuele factoren
o Ontwikkelingspsychologie: grotere rol aan individuele risicofactoren
2. Gezinsfactoren
o Proximale factoren: kwaliteit van ouder-kind relatie
o Distale factoren: persoonlijke problemen van ouders
o Contextuele factoren: andere relaties dan ouder-kind relaties
o Globale factoren: SES
3. Vrienden factoren (school)
o Facilitatiemodel: jongeren worden delinquent door omgang criminele peers
(MEESTE SUPPORT)
, 4. Bredere sociale factoren
o Delinquentie tijdens jeugd = goede voorspelling voor werkloosheid
volwassenheid
o SES van samenleving heeft grote invloed > dicht op elkaar wonen, geringe
sociale binding
o Rovers: economische deprivatie, gebrekkige sociale controle en aandeel
jongeren in de bevolking hangen samen met aantal jeugddelinquenten in de
buurt
Vanuit een sociologisch-positivistische visie ontstond begin 20e eeuw de Chicago School.
Hier bestudeerden ze aspecten van stadsomgevingen en evoluties
Concentric zone theory: hoe dichter tot de stadskern, hoe meer criminaliteit
o Bepaalde stadsdelen hadden een hoge concentratie criminaliteit >
gekenmerkt door fysieke aftakeling en armoede
o Hier was sprake van sociale desorganisatie: verzwakte sociale cohesie,
waardoor de weerbaarheid tegen criminaliteit daalt
Sociale netwerk theorieën over criminaliteit:
- Differentiële-associatie theorie (Sutherland): gedrag, dus ook criminaliteit, zou
worden aangeleerd door communicatie met anderen.
- Social control theory (Hirschi): hechting met anderen is belangrijkste factor in
ontstaan criminaliteit
- Strain theory: nadruk lig op economische factoren die ervoor zorgen dat mensen door
gevoelde spanningen meer criminaliteit zouden plegen
- Defiance theory: bepaalde sancties leiden tot verhoging criminaliteit
Berichtgeving over jeugdcriminaliteit in de media kunnen ongunstige effecten hebben op de
verdere ontwikkeling of de escalatie van jeugdcriminaliteit > media vergroot dingen uit, werkt
katalyserend
Iatrogeen effect van interventies > zorgt juist voor meer criminaliteit
Jeugdrechters hebben gebrekkige middelen > meer criminaliteit (uitvoering vaak
onmogelijk, door te weinig psychiatrische hulp beschikbaar)
Hendriks H2 & H29
Sinds 2015 is de jeugdwet geïntroduceerd in NL en ligt sindsdien de verantwoordelijkheid en
kwaliteit van jeugdhulp bij de gemeenten. Het IVRK is het belangrijkste instrument voor
bescherming van het kind > verplicht ouders te ondersteunen in verzorging en opvoeding van
kind. Bevoegde autoriteiten beslissen dat het noodzakelijk is als het kind uit huis wordt
geplaatst in belang van de jeugdige = ultimum remedium
In NL staat er een onafhankelijke vertrouwenspersoon (AKJ) jongeren bij
In het civiele jeugdrecht kunnen minderjarigen te maken krijgen met ondertoezichtstelling
(OTS) en uithuisplaatsing (UHP). UHP wordt ingezet wanneer ontwikkeling ernstig
belemmerd wordt, ter overbrugging tijdelijke situatie, het in hulpverleningsplan staat en
noodzakelijk is. Dwangmiddelen kunnen ingezet worden
In 2014 werd het adolescentenstrafrecht ingevoerd, waarmee rechters meer
flexibiliteit kregen om 18-23 jarigen volgens het jeugdstrafrecht te berechten >
omdat sommige jongvolwassen nog niet volledig emotioneel en intellectueel
ontwikkeld zijn
Residentiele jeugdhulp: een tijdelijk verblijf voor jongeren buiten hun eigen omgeving,
zowel open en dicht
- Doel: veilige basis aanbieden en terugwerken naar huis en zelfstandigheid
- Gebaseerd op orthopedagogische basiszorg en wordt alleen in uiterste gevallen
toegepast
- Open plaatsing in samenwerking ouders, gesloten plaatsing via rechtelijke maatregelen
De residentiele jeugdhulpen begonnen met weeshuizen in de 16 e eeuw. 1905: kinderwetje die
het belang van het kind benadrukte. Na de 2e WO werd jeugdhulp professioneler door
Inhoud
Jeugdcriminaliteit artikelen......................................................................................................... 1
Weijers H1, H3 & H15.............................................................................................................. 2
Hendriks H2 & H29.................................................................................................................. 3
Thompson & Morris................................................................................................................. 4
Klassieke theorieën over jeugdcriminaliteit.........................................................................4
Psychologische theorieën..................................................................................................... 4
Sociologische theorieën....................................................................................................... 4
Control theorieën BEIDE HIRSCHI......................................................................................... 5
Biologische theorieën........................................................................................................... 5
Farrington & Malvaso 2023...................................................................................................... 5
Hendriks H6, H8 & H12........................................................................................................... 5
Assink et al. 2015.................................................................................................................... 6
Yohoros 2022........................................................................................................................... 7
Weijers H9............................................................................................................................... 7
Hendriks H3, H37 & H10......................................................................................................... 8
Whittaker et al. 2020............................................................................................................... 9
Ferweda & Ham 2017.............................................................................................................. 9
Hendriks H7 & H17................................................................................................................ 10
Assink et al. 2016.................................................................................................................. 11
Assink et al. 2019.................................................................................................................. 11
Belsky 1980........................................................................................................................... 12
Van dijk et al. 2022................................................................................................................ 13
Besemer et al. 2017.............................................................................................................. 13
Eichelscheim 2019................................................................................................................ 14
Calderoni et al. 2022............................................................................................................. 14
Van den Broek et al. 2022..................................................................................................... 15
Peeters 2022......................................................................................................................... 15
Boertien et al., 2024 ARTIKEL................................................................................................ 16
Hendriks H13, H31, H32 & H5............................................................................................... 16
Christensen & Baker 2020..................................................................................................... 19
Hendriks H4, H11, H15 & H9................................................................................................. 19
Gilsing et al. 2015................................................................................................................. 21
Boon et al. 2018.................................................................................................................... 21
Van der Put et al. 2014.......................................................................................................... 22
Beerthuizen et al., 2023........................................................................................................ 22
Wissink et al., 2023............................................................................................................... 23
,Weijers H1, H3 & H15
Verschillende bronnen die inzicht geven in criminaliteitscijfers
- Politiestatistieken (aangehouden VERDACHTEN van een misdrijf)
o Zeggen weinig over de vraag of er sprake is van een toename
o Beïnvloeding door meldingsbereidheid en beleidsprioriteiten
o Dark number is hoog
o Justitiële statistieken (DADERS strafrechtelijk) filtering delicten, afhankelijk
van inspanning
- Zelfrapportages
o Geven goed beeld over voorkomende jeugddelicten en maken ook kenmerken
van ‘gezonde’ jeugddelinquentie zichtbaar
o Beperkt aantal delicten kunnen in enquête worden opgenomen
o Sommige daders zijn moeilijk te bereiken (veel sprake van onderrapportage)
o Geeft geen goed beeld van ernst delicten > schade en gevolgen voor
slachtoffers
- Slachtofferenquêtes
o Goede indruk van ontwikkeling aantal slachtoffers
o Onderrapportage van bepaalde slachtoffers (moord, seksueel etc.)
o Geeft geen uitsluitsel over leeftijd van daders
In de jaren 90 kregen jeugddelinquentie incidenten veel media aandacht en lieten
politiegegevens een toename van jeugdcriminaliteit zien, wat leidde tot een roep om
effectievere aanpakken. Jongeren zijn de afgelopen halve eeuw afhankelijker geworden (door
leerplicht tot 18) en worden nu serieuzer genomen. Het hebben van een ‘veilige plek’ is voor
jongeren noodzakelijk om problemen te weerstaan.
In de Monitor Jeugdcriminaliteit (MJC) worden de ontwikkelingen van jeugdcriminaliteit
gemeten op basis van daders die zelfrapportage doen, verdachte daders volgens de politie EN
strafrechtelijke daders, waarbij het OM of de rechter een jongere schuldig heeft bevonden
Age-crime-curve: jeugden die met politie in aanraking komen neemt vanaf 12 e
jaar toe, bereikt een piek rond het 18e-20e jaar en neemt daarna weer af
Monitor Zelf gerapporteerde Jeugdcriminaliteit (MZJ) is de enige landelijke
dekkende monitor die nog met regelmaat wordt uitgevoerd.
o Geweld is de grootste vorm van delicten onder jongeren > jongens plegen
meer delicten
o Zelfrapportage cijfers worden wel minder (goed) > kan komen door bijv. meer
agenten, minder alcoholconsumptie of toevallige sociaal demografische
ontwikkelingen
Jongvolwassenen (18-25) worden het meeste aangehouden (VERDACHTEN) >
hierdoor is het absolute aantal jeugdige verdachten van 12-25 ook gegroeid
o Wel zijn de minderjarige en jongvolwassene verdachten verminderd over tijd
Meeste DADERS zitten in de groep van 18-23 jarigen
Risicofactoren die criminaliteit behouden en vergemakkelijken:
1. Individuele factoren
o Ontwikkelingspsychologie: grotere rol aan individuele risicofactoren
2. Gezinsfactoren
o Proximale factoren: kwaliteit van ouder-kind relatie
o Distale factoren: persoonlijke problemen van ouders
o Contextuele factoren: andere relaties dan ouder-kind relaties
o Globale factoren: SES
3. Vrienden factoren (school)
o Facilitatiemodel: jongeren worden delinquent door omgang criminele peers
(MEESTE SUPPORT)
, 4. Bredere sociale factoren
o Delinquentie tijdens jeugd = goede voorspelling voor werkloosheid
volwassenheid
o SES van samenleving heeft grote invloed > dicht op elkaar wonen, geringe
sociale binding
o Rovers: economische deprivatie, gebrekkige sociale controle en aandeel
jongeren in de bevolking hangen samen met aantal jeugddelinquenten in de
buurt
Vanuit een sociologisch-positivistische visie ontstond begin 20e eeuw de Chicago School.
Hier bestudeerden ze aspecten van stadsomgevingen en evoluties
Concentric zone theory: hoe dichter tot de stadskern, hoe meer criminaliteit
o Bepaalde stadsdelen hadden een hoge concentratie criminaliteit >
gekenmerkt door fysieke aftakeling en armoede
o Hier was sprake van sociale desorganisatie: verzwakte sociale cohesie,
waardoor de weerbaarheid tegen criminaliteit daalt
Sociale netwerk theorieën over criminaliteit:
- Differentiële-associatie theorie (Sutherland): gedrag, dus ook criminaliteit, zou
worden aangeleerd door communicatie met anderen.
- Social control theory (Hirschi): hechting met anderen is belangrijkste factor in
ontstaan criminaliteit
- Strain theory: nadruk lig op economische factoren die ervoor zorgen dat mensen door
gevoelde spanningen meer criminaliteit zouden plegen
- Defiance theory: bepaalde sancties leiden tot verhoging criminaliteit
Berichtgeving over jeugdcriminaliteit in de media kunnen ongunstige effecten hebben op de
verdere ontwikkeling of de escalatie van jeugdcriminaliteit > media vergroot dingen uit, werkt
katalyserend
Iatrogeen effect van interventies > zorgt juist voor meer criminaliteit
Jeugdrechters hebben gebrekkige middelen > meer criminaliteit (uitvoering vaak
onmogelijk, door te weinig psychiatrische hulp beschikbaar)
Hendriks H2 & H29
Sinds 2015 is de jeugdwet geïntroduceerd in NL en ligt sindsdien de verantwoordelijkheid en
kwaliteit van jeugdhulp bij de gemeenten. Het IVRK is het belangrijkste instrument voor
bescherming van het kind > verplicht ouders te ondersteunen in verzorging en opvoeding van
kind. Bevoegde autoriteiten beslissen dat het noodzakelijk is als het kind uit huis wordt
geplaatst in belang van de jeugdige = ultimum remedium
In NL staat er een onafhankelijke vertrouwenspersoon (AKJ) jongeren bij
In het civiele jeugdrecht kunnen minderjarigen te maken krijgen met ondertoezichtstelling
(OTS) en uithuisplaatsing (UHP). UHP wordt ingezet wanneer ontwikkeling ernstig
belemmerd wordt, ter overbrugging tijdelijke situatie, het in hulpverleningsplan staat en
noodzakelijk is. Dwangmiddelen kunnen ingezet worden
In 2014 werd het adolescentenstrafrecht ingevoerd, waarmee rechters meer
flexibiliteit kregen om 18-23 jarigen volgens het jeugdstrafrecht te berechten >
omdat sommige jongvolwassen nog niet volledig emotioneel en intellectueel
ontwikkeld zijn
Residentiele jeugdhulp: een tijdelijk verblijf voor jongeren buiten hun eigen omgeving,
zowel open en dicht
- Doel: veilige basis aanbieden en terugwerken naar huis en zelfstandigheid
- Gebaseerd op orthopedagogische basiszorg en wordt alleen in uiterste gevallen
toegepast
- Open plaatsing in samenwerking ouders, gesloten plaatsing via rechtelijke maatregelen
De residentiele jeugdhulpen begonnen met weeshuizen in de 16 e eeuw. 1905: kinderwetje die
het belang van het kind benadrukte. Na de 2e WO werd jeugdhulp professioneler door