Vragen ontwikkelingspsychopathologie jaar 3
Hoofdstuk 4
1. Wat is bekend over de invloed van negatieve processen tijdens de zwangerschap op de latere
ontwikkeling van het kind?
A. ? Deze invloed is voldoende om op latere leeftijd psychische stoornissen bij het
kind te laten ontstaan.
B. ? Deze invloed is meestal van korte duur en vooral in de eerste jaren na de
geboorte zichtbaar.
C. ? Samen met andere risicofactoren kunnen negatieve processen tijdens de
zwangerschap psychische stoornissen bij het kind veroorzaken.
1. Hoe heet de fase uit de zwangerschap die plaatsvindt van week 2 tot en met week 8?
A. ? embryonale fase
B. ? foetale fase
C. ? germinale fase
1. Welke van onderstaande syndromen of ziekten is een trisomie?
A. ? syndroom van Down
B. ? ziekte van Huntington
C. ? syndroom van Turner
1. Een kind is te dik en op grond van deze waarneming wordt gezegd dat hij obesitas heeft.
Waarop wordt deze waarneming gebaseerd?
A. ? op het fenotype
B. ? op het genotype
C. ? op de monozygotische relatie
1. Waarvan is het foetaal alcoholsyndroom een voorbeeld?
A. ? Een afwijking die wordt veroorzaakt door genetische en omgevingsinvloeden.
B. ? Een afwijking die wordt veroorzaakt door geboortecomplicaties.
C. ? Een afwijking die wordt veroorzaakt door schadelijke omgevingsinvloeden tijdens
de zwangerschap.
1. Vooral tijdens de embryonale fase kunnen grote misvormingen van het kindje en verstoringen
van de ontwikkeling plaatsvinden. Van welk verschijnsel is dit een voorbeeld?
A. ? de dosis-responsrelatie
B. ? de epigenetica
C. ? een kritieke periode
, 1. Wat bleek uit onderzoek naar moeders die bleven roken tijdens de zwangerschap?
A. ? Zij konden moeilijk stoppen met roken omdat hun partner (de vader) bleef roken.
B. ? Zij gebruikten ook drugs en alcohol, het roken was slechts één aspect van hun
verslaving.
C. ? Zij hadden veel vaker en veel meer psychische stoornissen dan de moeders die
niet rookten of stopten met roken.
1. Wat is kenmerkend aan kinderen die te vroeg geboren zijn?
A. ? De hechting tussen kind en moeder komt veel te laat op gang.
B. ? De organen van het kindje zijn meestal nog niet rijp waardoor het geholpen moet
worden met een aantal lichaamsfuncties.
C. ? De moeder blijkt vaak een psychische stoornis te hebben.
1. Prille moeders kunnen de eerste dagen na de bevalling onverklaarbare huilbuien krijgen die
soms heel lang duren. Wat is er bekend over het effect van deze ‘kraamtranen’?
A. ? Dat brengt de eerste hechtingsprocessen op gang omdat de pasgeboren baby
hier al op reageert.
B. ? Dat is normaal gedrag dat vanzelf overgaat.
C. ? Dat moet snel behandeld worden omdat het een risicofactor kan zijn van de
post-partumdepressie.
1. Wat is het beste tijdstip om psycho-educatie te geven over zwangerschap en bevalling aan
aanstaande ouders?
A. ? Voor de bevruchting, als de aanstaande ouders plannen maken om een kind te
krijgen
B. ? Als het ongeboren kind bewegingen gaat maken, want dan ontstaan het eerste
verantwoordelijkheidsgevoel en de eerste zorgbehoefte.
C. Fout Aodra de aanstaande moeder weet dat ze zwanger is, meestal is dat na enkele
weken.
Hoofdstuk 5
1. Wanneer droomt een jong (driejarig) kind?
A. ? Tijdens de non-remperiode (non-rapid eye movement) van de slaap.
B. ? Tijdens de remperiode (rapid eye movement) van de slaap.
C. ? Dit kan bij een jong kind zowel tijdens de non-rem- als remperiode plaatsvinden.
1. Wat is hoogst waarschijnlijk de functie van non-remslaap (non-rapid eye movement)?
A. ? Het emotioneel verwerken van belangrijke gebeurtenissen van de voorafgaande
dag.
B. ? Het in het geheugen opslaan (back-up maken) van belangrijke gebeurtenissen van
de voorafgaande dag.
C. ? Lichamelijk herstel.
Hoofdstuk 4
1. Wat is bekend over de invloed van negatieve processen tijdens de zwangerschap op de latere
ontwikkeling van het kind?
A. ? Deze invloed is voldoende om op latere leeftijd psychische stoornissen bij het
kind te laten ontstaan.
B. ? Deze invloed is meestal van korte duur en vooral in de eerste jaren na de
geboorte zichtbaar.
C. ? Samen met andere risicofactoren kunnen negatieve processen tijdens de
zwangerschap psychische stoornissen bij het kind veroorzaken.
1. Hoe heet de fase uit de zwangerschap die plaatsvindt van week 2 tot en met week 8?
A. ? embryonale fase
B. ? foetale fase
C. ? germinale fase
1. Welke van onderstaande syndromen of ziekten is een trisomie?
A. ? syndroom van Down
B. ? ziekte van Huntington
C. ? syndroom van Turner
1. Een kind is te dik en op grond van deze waarneming wordt gezegd dat hij obesitas heeft.
Waarop wordt deze waarneming gebaseerd?
A. ? op het fenotype
B. ? op het genotype
C. ? op de monozygotische relatie
1. Waarvan is het foetaal alcoholsyndroom een voorbeeld?
A. ? Een afwijking die wordt veroorzaakt door genetische en omgevingsinvloeden.
B. ? Een afwijking die wordt veroorzaakt door geboortecomplicaties.
C. ? Een afwijking die wordt veroorzaakt door schadelijke omgevingsinvloeden tijdens
de zwangerschap.
1. Vooral tijdens de embryonale fase kunnen grote misvormingen van het kindje en verstoringen
van de ontwikkeling plaatsvinden. Van welk verschijnsel is dit een voorbeeld?
A. ? de dosis-responsrelatie
B. ? de epigenetica
C. ? een kritieke periode
, 1. Wat bleek uit onderzoek naar moeders die bleven roken tijdens de zwangerschap?
A. ? Zij konden moeilijk stoppen met roken omdat hun partner (de vader) bleef roken.
B. ? Zij gebruikten ook drugs en alcohol, het roken was slechts één aspect van hun
verslaving.
C. ? Zij hadden veel vaker en veel meer psychische stoornissen dan de moeders die
niet rookten of stopten met roken.
1. Wat is kenmerkend aan kinderen die te vroeg geboren zijn?
A. ? De hechting tussen kind en moeder komt veel te laat op gang.
B. ? De organen van het kindje zijn meestal nog niet rijp waardoor het geholpen moet
worden met een aantal lichaamsfuncties.
C. ? De moeder blijkt vaak een psychische stoornis te hebben.
1. Prille moeders kunnen de eerste dagen na de bevalling onverklaarbare huilbuien krijgen die
soms heel lang duren. Wat is er bekend over het effect van deze ‘kraamtranen’?
A. ? Dat brengt de eerste hechtingsprocessen op gang omdat de pasgeboren baby
hier al op reageert.
B. ? Dat is normaal gedrag dat vanzelf overgaat.
C. ? Dat moet snel behandeld worden omdat het een risicofactor kan zijn van de
post-partumdepressie.
1. Wat is het beste tijdstip om psycho-educatie te geven over zwangerschap en bevalling aan
aanstaande ouders?
A. ? Voor de bevruchting, als de aanstaande ouders plannen maken om een kind te
krijgen
B. ? Als het ongeboren kind bewegingen gaat maken, want dan ontstaan het eerste
verantwoordelijkheidsgevoel en de eerste zorgbehoefte.
C. Fout Aodra de aanstaande moeder weet dat ze zwanger is, meestal is dat na enkele
weken.
Hoofdstuk 5
1. Wanneer droomt een jong (driejarig) kind?
A. ? Tijdens de non-remperiode (non-rapid eye movement) van de slaap.
B. ? Tijdens de remperiode (rapid eye movement) van de slaap.
C. ? Dit kan bij een jong kind zowel tijdens de non-rem- als remperiode plaatsvinden.
1. Wat is hoogst waarschijnlijk de functie van non-remslaap (non-rapid eye movement)?
A. ? Het emotioneel verwerken van belangrijke gebeurtenissen van de voorafgaande
dag.
B. ? Het in het geheugen opslaan (back-up maken) van belangrijke gebeurtenissen van
de voorafgaande dag.
C. ? Lichamelijk herstel.