22/02/2019 Inleiding tot de taal- en tekststructuren Willems
We gaan verder met de semiotische analyse van een taal. Vorige week hadden we al
gezien dat we door Peirce drie soorten tekens kunnen onderscheiden. Als we kijken naar
het causale effect van een taken dan spreken we over de index of symptoom om andere
termen te gebruiken. Bv. een ziekte leidt tot rode plekken op het lichaam. Je kan dat ook
heel ruim interpreteren. Bv. de wind zorgt ervoor dat het korenveld gaat bewegen op een
bepaalde manier. Wel, die beweging is de index van die causale oorzaak namelijk van de
wind. Het teken in zijn uiterlijke vorm een onmiddellijke weergave probeert te zijn van
het object. Denk dan vooral aan een visuele weergave. De vorm van het teken lijkt op
het object. We hebben dan bij Peirce een associatieve relatie. We associëren de uiterlijk
vorm met het object waarvoor het staat. Het symbool onderscheidt zich van die twee in
die mate dat we een vorm en een betekenis hebben binnen in het symbool, dat de mens
toelaat om te verwijzen naar of te refereren aan een object. Die tweeledigheid is cruciaal
voor het symbool. Het is niet causaal en ook niet associatief. Tweeledigheid staat voor
het feit dat we de regel moeten kennen voor het gebruik van het teken en die regel
bestaat ter kennis van het feit dat precies deze betekenis aan deze vorm gepaard wordt
en omgekeerd precies deze vorm aan precies deze betekenis. Die relatie is noodzakelijk,
maar arbitrair. We hebben gezien dat die willekeurig is en Willems heeft ook enkele
voorbeelden gegeven in de mate dat verschillende talen inderdaad aan elkaar
onderscheidend zijn. We vertrekken van een regel, de basis, van het gebruik van
symbolen. Je ziet hoe dat conventioneel in de taalkunde. Je moet vanuit de geschiedenis
van een taal weten waarvoor een bepaalde vorm staat, namelijk de betekenis en je moet
weten welke betekenis aan die vorm gekoppeld is en niet aan andere. Dus dat is de basis
van het zogenaamde bilaterale taalteken. De betekenis en vorm gaan gepaard en worden
een voorwaarde voor de verwijzing naar dergelijke dingen. Hij had al voorbeelden
gegeven van de pijlen die van links naar rechts gaan en niet omgekeerd. Er is veel
onderzoek gedaan in de taalwetenschap naar de verschillende verwantschapstermen,
verwantschapsnamen. Je ziet hier het principe van het Nederlands. Universeel ga je dat
principe heel vaak vinden van de grootmoeder en de grootvader. Je ziet dat de twee
termen naargelang van vader- tot moederskant beiden gelden. Je ziet dat sommige talen
het anders doen, bv. het Zweeds. Naargelang van vaderskant of moederskant heb je
andere vormen voor grootmoeder en grootvader, namelijk de kant van de moeder en de
kant van de vader. Je ziet dat het vier termen zijn. Wat onthouden we daaruit? Wel, in
het Nederlands is die bilateraliteit blijkbaar duraal we onderscheiden grootmoeder en
grootvader. In de taal zelf onderscheiden we niet langs vaderskant of langs moederskant.
Er zijn geen woorden voor om dat onderscheid te maken. Wel, in het Zweeds moet je dat
onderscheid maken en er is natuurlijk ook een algemene term voor grootouders, maar
als je één bepaalde persoon uitkiest dan moet je kiezen voor grootmoeder aan
moederskant of grootmoeder aan vaderskant en hetzelfde natuurlijk voor de grootvader.
We onthouden dus dat die arbitraire relatie verschillend is van taal tot taal. We gaan er
nog vaak op terugkomen omdat het zo fundamentele kenmerk is van natuurlijke taal.
Hier hebben we lexicale voorbeelden bij en die hebben we ook al eens gezien. Een
lexicaal voorbeeld is een voorbeeld uit het lexicon, uit de woordenschat van de taal. In
dit geval uit de woordenschat van twee verschillende talen. Dergelijke verschillen vind je
overal in de taal. Je vindt die ook in wat we de grammatica noemen. Het zijn dan niet zo
zeer lexicale verschillen, maar grammaticale verschillen.
Als je het Engels met het Nederlands vergelijkt dan zie je dat bv. op een cd kunt zien
‘J.C. zingt Catalaanse liederen.’ met de Engelse vertaling van zingen in de simple present
‘sings’. Wij kunnen ook zeggen J.C. zingt in een concert of is aan het zingen in concert en
daarmee bedoelen we een momentane gebeurtenis waarop de zanger zingt. Wel, in het
Engels kan je dan de single present niet meer gebruiken, dan moet je die progressieve
vorm gebruiken. We spreken niet van een aspect. We onderscheiden of iets bezig is of
niet bezig. Een algemene uitspraak versus een specifieke uitspraak over een zaak of een
We gaan verder met de semiotische analyse van een taal. Vorige week hadden we al
gezien dat we door Peirce drie soorten tekens kunnen onderscheiden. Als we kijken naar
het causale effect van een taken dan spreken we over de index of symptoom om andere
termen te gebruiken. Bv. een ziekte leidt tot rode plekken op het lichaam. Je kan dat ook
heel ruim interpreteren. Bv. de wind zorgt ervoor dat het korenveld gaat bewegen op een
bepaalde manier. Wel, die beweging is de index van die causale oorzaak namelijk van de
wind. Het teken in zijn uiterlijke vorm een onmiddellijke weergave probeert te zijn van
het object. Denk dan vooral aan een visuele weergave. De vorm van het teken lijkt op
het object. We hebben dan bij Peirce een associatieve relatie. We associëren de uiterlijk
vorm met het object waarvoor het staat. Het symbool onderscheidt zich van die twee in
die mate dat we een vorm en een betekenis hebben binnen in het symbool, dat de mens
toelaat om te verwijzen naar of te refereren aan een object. Die tweeledigheid is cruciaal
voor het symbool. Het is niet causaal en ook niet associatief. Tweeledigheid staat voor
het feit dat we de regel moeten kennen voor het gebruik van het teken en die regel
bestaat ter kennis van het feit dat precies deze betekenis aan deze vorm gepaard wordt
en omgekeerd precies deze vorm aan precies deze betekenis. Die relatie is noodzakelijk,
maar arbitrair. We hebben gezien dat die willekeurig is en Willems heeft ook enkele
voorbeelden gegeven in de mate dat verschillende talen inderdaad aan elkaar
onderscheidend zijn. We vertrekken van een regel, de basis, van het gebruik van
symbolen. Je ziet hoe dat conventioneel in de taalkunde. Je moet vanuit de geschiedenis
van een taal weten waarvoor een bepaalde vorm staat, namelijk de betekenis en je moet
weten welke betekenis aan die vorm gekoppeld is en niet aan andere. Dus dat is de basis
van het zogenaamde bilaterale taalteken. De betekenis en vorm gaan gepaard en worden
een voorwaarde voor de verwijzing naar dergelijke dingen. Hij had al voorbeelden
gegeven van de pijlen die van links naar rechts gaan en niet omgekeerd. Er is veel
onderzoek gedaan in de taalwetenschap naar de verschillende verwantschapstermen,
verwantschapsnamen. Je ziet hier het principe van het Nederlands. Universeel ga je dat
principe heel vaak vinden van de grootmoeder en de grootvader. Je ziet dat de twee
termen naargelang van vader- tot moederskant beiden gelden. Je ziet dat sommige talen
het anders doen, bv. het Zweeds. Naargelang van vaderskant of moederskant heb je
andere vormen voor grootmoeder en grootvader, namelijk de kant van de moeder en de
kant van de vader. Je ziet dat het vier termen zijn. Wat onthouden we daaruit? Wel, in
het Nederlands is die bilateraliteit blijkbaar duraal we onderscheiden grootmoeder en
grootvader. In de taal zelf onderscheiden we niet langs vaderskant of langs moederskant.
Er zijn geen woorden voor om dat onderscheid te maken. Wel, in het Zweeds moet je dat
onderscheid maken en er is natuurlijk ook een algemene term voor grootouders, maar
als je één bepaalde persoon uitkiest dan moet je kiezen voor grootmoeder aan
moederskant of grootmoeder aan vaderskant en hetzelfde natuurlijk voor de grootvader.
We onthouden dus dat die arbitraire relatie verschillend is van taal tot taal. We gaan er
nog vaak op terugkomen omdat het zo fundamentele kenmerk is van natuurlijke taal.
Hier hebben we lexicale voorbeelden bij en die hebben we ook al eens gezien. Een
lexicaal voorbeeld is een voorbeeld uit het lexicon, uit de woordenschat van de taal. In
dit geval uit de woordenschat van twee verschillende talen. Dergelijke verschillen vind je
overal in de taal. Je vindt die ook in wat we de grammatica noemen. Het zijn dan niet zo
zeer lexicale verschillen, maar grammaticale verschillen.
Als je het Engels met het Nederlands vergelijkt dan zie je dat bv. op een cd kunt zien
‘J.C. zingt Catalaanse liederen.’ met de Engelse vertaling van zingen in de simple present
‘sings’. Wij kunnen ook zeggen J.C. zingt in een concert of is aan het zingen in concert en
daarmee bedoelen we een momentane gebeurtenis waarop de zanger zingt. Wel, in het
Engels kan je dan de single present niet meer gebruiken, dan moet je die progressieve
vorm gebruiken. We spreken niet van een aspect. We onderscheiden of iets bezig is of
niet bezig. Een algemene uitspraak versus een specifieke uitspraak over een zaak of een