Probleem 8
Leerdoel 1: wat is burgerschap?
Eslin: gegeneraliseerde definitie van burgerschap in een democratie:
a) Vormt lidmaatschap binnen een politieke eenheid.
b) Verleent identiteit aan burgers.
c) Vormt een verzameling waarden die horen bij een bepaalde politieke unit.
d) Betreft een zekere mate van participatie in het politiek proces.
e) Verwerven van kennis over overheidswetten, -documenten, -structeren en -processen en het
gebruik van die kennis.
Burgerschap verwijst naar de relaties tussen burgers en de staat, maar in bredere zin kun je het ook
opvatten als handelen in de publieke ruimte waarbij er bepaalde normen, waarden en basisregels zijn
die voor iedere burger gelden.
3 hoofdstromen bij burgerschap:
- Neoliberale opvatting: individuele ontplooiing staat centraal, een burger heeft vooral rechten
en zijn enige plichten zijn om zich aan de wetten en het sociaal contract (ongeschreven regels
te houden).
- Communitaristische opvatting: sociale/culturele gemeenschappen waarin mensen solidariteit
kunnen vinden en waar ze normen en waarden aan ontlenen.
Burger is een sociaal en politiek wezen dat samen met anderen gemeenschappelijke
doelen nastreeft en belangen deelt.
- Kritisch democratisch/neo-republikeinse opvatting: combinatie van bovenstaande 2.
Actief en kritisch participeren in het publieke domein staat centraal.
Er wordt geen dominante waarde-oriëntatie erkend, permanente discussie over waarden
wordt gekoesterd.
Deze definitie wordt vaak bij burgerschap in het onderwijs gebruikt.
Actief burgerschap: de bereidheid en het vermogen om deel uit te maken van een gemeenschap en
daar een actieve bijdrage aan te leveren.
Bij burgerschap gaat het om diversiteit, tolerantie en acceptatie.
Essentiële vaardigheden bij burgerschap:
- Zelfsturing
- Zelfreflectie
- Vermogen om eigen identiteit te ontwikkelen als participant van een gemeenschap.
- Sociale competentie (kennis, houding en vaardigheden).
Burgerschapscompetenties: participeren in de maatschappij en daarbij waardebewust, normatief,
zelfstandig en verantwoordelijk handelen.
Je bent sociaal competent als je over de volgende vaardigheden beschikt:
- Vermogen om sociale signalen te herkennen en interpreteren en om sociale situaties te
beoordelen.
- Vermogen om responsief en adaptief te reageren en om te anticiperen en reflecteren op je
eigen gedrag en dat van anderen.
Leerdoel 1: wat is burgerschap?
Eslin: gegeneraliseerde definitie van burgerschap in een democratie:
a) Vormt lidmaatschap binnen een politieke eenheid.
b) Verleent identiteit aan burgers.
c) Vormt een verzameling waarden die horen bij een bepaalde politieke unit.
d) Betreft een zekere mate van participatie in het politiek proces.
e) Verwerven van kennis over overheidswetten, -documenten, -structeren en -processen en het
gebruik van die kennis.
Burgerschap verwijst naar de relaties tussen burgers en de staat, maar in bredere zin kun je het ook
opvatten als handelen in de publieke ruimte waarbij er bepaalde normen, waarden en basisregels zijn
die voor iedere burger gelden.
3 hoofdstromen bij burgerschap:
- Neoliberale opvatting: individuele ontplooiing staat centraal, een burger heeft vooral rechten
en zijn enige plichten zijn om zich aan de wetten en het sociaal contract (ongeschreven regels
te houden).
- Communitaristische opvatting: sociale/culturele gemeenschappen waarin mensen solidariteit
kunnen vinden en waar ze normen en waarden aan ontlenen.
Burger is een sociaal en politiek wezen dat samen met anderen gemeenschappelijke
doelen nastreeft en belangen deelt.
- Kritisch democratisch/neo-republikeinse opvatting: combinatie van bovenstaande 2.
Actief en kritisch participeren in het publieke domein staat centraal.
Er wordt geen dominante waarde-oriëntatie erkend, permanente discussie over waarden
wordt gekoesterd.
Deze definitie wordt vaak bij burgerschap in het onderwijs gebruikt.
Actief burgerschap: de bereidheid en het vermogen om deel uit te maken van een gemeenschap en
daar een actieve bijdrage aan te leveren.
Bij burgerschap gaat het om diversiteit, tolerantie en acceptatie.
Essentiële vaardigheden bij burgerschap:
- Zelfsturing
- Zelfreflectie
- Vermogen om eigen identiteit te ontwikkelen als participant van een gemeenschap.
- Sociale competentie (kennis, houding en vaardigheden).
Burgerschapscompetenties: participeren in de maatschappij en daarbij waardebewust, normatief,
zelfstandig en verantwoordelijk handelen.
Je bent sociaal competent als je over de volgende vaardigheden beschikt:
- Vermogen om sociale signalen te herkennen en interpreteren en om sociale situaties te
beoordelen.
- Vermogen om responsief en adaptief te reageren en om te anticiperen en reflecteren op je
eigen gedrag en dat van anderen.