Hoofdstuk: Belonen
Gedrag: alles wat mensen doen of juist niet doen.
Gedragsdeterminanten:
Psychologische factoren niet mee geboren. (opvoeding, vrienden, omgeving, ..)
Aanlegfactoren erfelijkheid (bv persoonlijkheid, temperament)
Organische factoren lichamelijke factoren, biochemische en hormonale factoren
Verschillende complementaire visies op gedrag:
Behavioristische visie:
Gaat er van uit dat alle menselijk gedrag is aangeleerd en aan te leren. Gedrag hangt af van
stimulus uit omgeving.
Consequentie van gedrag kan een invloed hebben op hoe je je gaat gedragen in de toekomst.
Positieve consequentie gedrag herhalen. Bv rare reactie op kledij niet meer dragen.
Cognitivistische visie:
Hoe je dingen gaat interpreteren, sommige mensen pakken dingen licht op maar sommige
mensen hechten vele meer belang aan dingen. Gedrag is meer dan wat uiterlijk waarneembaar is
Humanistische visie:
De mens reageert niet enkel op zijn omgeving, maar doet dit met het doel om zichzelf te
ontwikkelen en te groeien. De mens in zijn geheel bekijken. Iedereen heeft specifieke kenmerken
die gedrag kunnen verklaren.
Waarom belonen? (tegenstrijdige visies)
Beloningen: de waardevolle dingen die aan werknemers geboden wordt in ruil voor hun arbeid.
Management theorieën:
Agency theorie:
een bedrijf heeft verschillende belanghebbende: werknemers, managers, aandeelhouders. Deze
hebben verschillende belangen die tegenstrijdig zijn. De meeste mensen streven hun eigen
belang na. Dit is niet goed voor de organisatie agency theorie: als werkgever moet je
bepaalde dingen doen om deze belangen in dezelfde lijn te sturen. Dit door controleren en
belonen.
Voorbeeld: aandeelhouder wil dat bestuurder zoveel mogelijk winst maakt voor de onderneming
en uitkeert, de bestuurder gaat volgens deze theorie zijn eigen belang nastreven en proberen
zelf zoveel mogelijk geld te verdienen. Oplossing: beloningen aan bestuurder als hij handelt in
het belang van de aandeelhouder. Hier lossen beloningen de belangtegenstellingen op.
Niet altijd mogelijk om een goed bonussysteem te implementeren, bv als er te weinig informatie
beschikbaar is informatie assymetrie (prestaties kunnen slecht gemeten worden).
, Stewardship theorie: Werknemer stelt zijn belangen ondergeschikt aan de belangen van de
werkgever omdat hij intrinsiek gemotiveerd is. Deze theorie gaat er van uit dat de werknemer dit
automatisch doet. Deze veronderstelt niet dat beloningen nodig zijn om gedrag te sturen.
Bonussen kunnen zelfs negatieve effecten hebben op de intrinsieke motivatie (crowding-out)
Deze mensen worden het meest gemotiveerd door autonomie, zo kunnen ze zichzelf ontplooien,
bij de agency theorie door controle. (deze theorie is het tegenovergestelde van de meeste
modelleb)
Psychologische theorieën:
Mc Gregor:
hoe kan een werkgever naar werknemers kijken:
Theorie X: beloningen zijn nodig om werknemers te sturen. WN’s zijn uit zichzelf lui en vermijden
verantwoordelijkheid. Ze hebben controle nodig.
Theorie Y: managers kunnen veronderstelling hebben dat werknemers initiatief willen nemen,
dat ze verantwoordelijk zijn en dat ze geen controle/ sturing nodig hebben. WN’s werken graag.
Taylorisme: mensen trainen voor specifieke taken: productiviteit verhogen. Dit vereiste ook een
strengen controle = scientific management. efficiency verhogen
Self-fulfilling prophecy:
Het hebben van een verwachting voor jezelf of voor andere mensen wordt ook echt waar. Hoe je denkt
dat iets is, wordt ook realiteit omdat je hiertoe werkt. Men ziet de mens als homo economicus
(=economisch rationeel, egoïstisch en opportunistisch).
Door het model van de homo economicus te hanteren en bonussystemen op te stellen die uitgaan van
een egoïstisch handelende mens, wordt deze egoïstisch handelende mens voor een gedeelte
‘geschapen’: de realiteit wordt veranderd.
Door jarenlang de aannames van agency theory te gebruiken, kan er sprake zijn geweest van een ‘self
fulfilling prophecy’: doordat medewerkers werden behandeld alsof ze economisch rationeel,
opportunistisch en egoïstisch zouden handelen, zijn ze dit door de tijd heen ook gaan doen.
Tweefactoren theorie van Herzberg:
Herzberg maakt onderscheid tussen intrinsieke (taakgebonden) en extrinsieke (consequenties) van werk.
Hij stelde vraag: wat maakt je gelukkig/ ongelukkig in je job: mensen waren tevreden over de dingen die
echt met het werk te maken hadden (intrinsiek) bv verantwoordelijkheid, groeimogelijkheden. Wat
maakt je ongelukkig: bv relatie met de baas, loon, externe factoren.
Intrinsieke beloningen: hebben te maken met de job zelf.