Samenvatting H.12 seksueel
functioneren
Primaere en secundaire geslachtskenmerken
geslachtskenmerken vrouw man
– zaadballen
– eierstokken (testes)
(ovaria) – bijballen
primairegeslachtskenmerken(vanaf de – eileiders –
geboorte aanwezig) – baarmoeder voorstanderklier
(uterus) (prostaat)
– schede (vagina) – mannelijk lid
(penis)
– groei van
baarmoeder,
eierstokken en
vagina
– ontwikkeling
borstklieren
– ontwikkeling kleine
schaamlippen
– weinig
lichaamsbeharing
– ontwikkeling
beharingspatroon
(schaamheuvel en
secundairegeslachtskenmerken(vanaf
oksels)
de puberteit)
– rondere
lichaamsvormen
door toename van
de hoeveelheid vet
in het onderhuids
bindweefsel, vooral
op bovenarmen en
benen
– verbreding van het
bekken
– optreden van de
eerste menstruatie
(menarche)
, Vrouwelijke geslachtsorganen
Bij de vrouwelijke geslachtsorganen kan een duidelijk onderscheid
worden gemaakt tussen inwendige en uitwendige geslachtsorganen
Eierstokken
Vanaf de puberteit ontwikkelt zich iedere maand een eicel. Dit gebeurt
vanuit kleine primaire follikels (blaasjes) die zich ten slotte ontwikkelen
tot een Graafse follikel
Een Graafse follikel is grotendeels met vocht gevuld. De rijping van een
follikel komt tot stand onder invloed van het follikelstimulerend hormoon
(fsh) uit de hypofysevoorkwab.
Wanneer de Graafse follikel rijp is barst hij open en komt de eicel,
omgeven door een krans van cellen, vrij. Dit proces wordt ovulatie of
eisprong genoemd. Na de ovulatie wordt de Graafse follikel een klein
geel bolletje, dat geel lichaam (corpus luteum) wordt genoemd. Wanneer
de vrijgekomen eicel niet wordt bevrucht, blijft dit gele lichaam nog bijna
twee weken bestaan. Het wordt in stand gehouden onder invloed van
een tweede hormoon uit de hypofysevoorkwab, namelijk het
luteïniserend hormoon (lh). De vrijgekomen eicel,
functioneren
Primaere en secundaire geslachtskenmerken
geslachtskenmerken vrouw man
– zaadballen
– eierstokken (testes)
(ovaria) – bijballen
primairegeslachtskenmerken(vanaf de – eileiders –
geboorte aanwezig) – baarmoeder voorstanderklier
(uterus) (prostaat)
– schede (vagina) – mannelijk lid
(penis)
– groei van
baarmoeder,
eierstokken en
vagina
– ontwikkeling
borstklieren
– ontwikkeling kleine
schaamlippen
– weinig
lichaamsbeharing
– ontwikkeling
beharingspatroon
(schaamheuvel en
secundairegeslachtskenmerken(vanaf
oksels)
de puberteit)
– rondere
lichaamsvormen
door toename van
de hoeveelheid vet
in het onderhuids
bindweefsel, vooral
op bovenarmen en
benen
– verbreding van het
bekken
– optreden van de
eerste menstruatie
(menarche)
, Vrouwelijke geslachtsorganen
Bij de vrouwelijke geslachtsorganen kan een duidelijk onderscheid
worden gemaakt tussen inwendige en uitwendige geslachtsorganen
Eierstokken
Vanaf de puberteit ontwikkelt zich iedere maand een eicel. Dit gebeurt
vanuit kleine primaire follikels (blaasjes) die zich ten slotte ontwikkelen
tot een Graafse follikel
Een Graafse follikel is grotendeels met vocht gevuld. De rijping van een
follikel komt tot stand onder invloed van het follikelstimulerend hormoon
(fsh) uit de hypofysevoorkwab.
Wanneer de Graafse follikel rijp is barst hij open en komt de eicel,
omgeven door een krans van cellen, vrij. Dit proces wordt ovulatie of
eisprong genoemd. Na de ovulatie wordt de Graafse follikel een klein
geel bolletje, dat geel lichaam (corpus luteum) wordt genoemd. Wanneer
de vrijgekomen eicel niet wordt bevrucht, blijft dit gele lichaam nog bijna
twee weken bestaan. Het wordt in stand gehouden onder invloed van
een tweede hormoon uit de hypofysevoorkwab, namelijk het
luteïniserend hormoon (lh). De vrijgekomen eicel,