Samenvatting cellen hoofdstuk 2: Membranen
Functies:
Hydrofobe barrière ongewenste moleculen
Communicatie andere cellen = intercellulaire communicatie
Gewaarwording: sensors, signalen ontvangen = signaaldetectie
Specifieke producten uit omgeving doorlaten of opnemen = selectief transport
Compartimentalisatie
Lokalisatie van functie
Ijsbergtheorie: membraan is viskeuse zee van lipiden, georganiseerd in dubbellaag waarin mozaïek
van eiwitten ronddobbert -> belangrijke eigenschap: fluïditeit: alle componenten zijn continu in
beweging
Lipid rafts: lipide-proteïne complexen organiseren zich in microdomeinen
Lipidendubbellaag: membraanlipiden hebben amfipatisch karakter -> hydrofiele kop gericht naar
water en hydrofoob lichaam weg van water -> buitenkant soms ook water, dus 2 lagen -> vorming
gesloten compartimenten
3 types membraanlipiden:
Fosfolipiden: vetzuurstaarten en fosfaatverbinding, verschillende soorten onderscheiden op
basis van kopgroep -> oriëntatie belangrijk voor functie cel
o Fosfoglyceriden: fosfatidylcholine, fosfatidylethanolamine, fosfatidylserine,
fosfatidylinositol
o Sfingolipiden: sfingomyeline
Sterolen: kopgroep = hydroxylgroep, vb. cholesterol: nestelt zich tussen fosfolipiden
Glycolipiden: 2 lange vetzuurstaartketens, kopgroep = suiker, celherkenning, bescherming
extreme omstandigheden
o Glycosfingolipiden: antigenen in immuunreacties vb. humane bloedgroepen
o Gangliosiden: negatief geladen door siaalzuurmoleculen, elektrische
signaaltransductie
Membraanfluïditeit
Fosfolipiden kunnen rond hun as draaien -> flip-flop van binnen naar buiten moeilijk spontaan ->
flipase helpt flip-flop beweging
Fasetransitietemperatuur = temperatuur waarop membraan gaat verstarren, gaat dus over van
vloeibare toestand naar gelachtige toestand
Membraan moet vloeibaar blijven:
Korte, onverzadigde vetten hebben openstaande structuur en worden losser gestapeld ->
fluïditeit wordt verhoogd en transitietemperatuur verlaagd
Hoe meer cholesterol, hoe meer ruimte ertussen
Cholesterol voorkomt alignering vetzuurketens bij lagere temperatuur ->
transitietemperatuur verlaagt
Homeoviskeuze adaptatie: bacteriën, gisten en koedbloedigen kunnen samenstelling membraan
aanpassen met groeitemperatuur en zo vloeibaarheid membraan regelen
Functies:
Hydrofobe barrière ongewenste moleculen
Communicatie andere cellen = intercellulaire communicatie
Gewaarwording: sensors, signalen ontvangen = signaaldetectie
Specifieke producten uit omgeving doorlaten of opnemen = selectief transport
Compartimentalisatie
Lokalisatie van functie
Ijsbergtheorie: membraan is viskeuse zee van lipiden, georganiseerd in dubbellaag waarin mozaïek
van eiwitten ronddobbert -> belangrijke eigenschap: fluïditeit: alle componenten zijn continu in
beweging
Lipid rafts: lipide-proteïne complexen organiseren zich in microdomeinen
Lipidendubbellaag: membraanlipiden hebben amfipatisch karakter -> hydrofiele kop gericht naar
water en hydrofoob lichaam weg van water -> buitenkant soms ook water, dus 2 lagen -> vorming
gesloten compartimenten
3 types membraanlipiden:
Fosfolipiden: vetzuurstaarten en fosfaatverbinding, verschillende soorten onderscheiden op
basis van kopgroep -> oriëntatie belangrijk voor functie cel
o Fosfoglyceriden: fosfatidylcholine, fosfatidylethanolamine, fosfatidylserine,
fosfatidylinositol
o Sfingolipiden: sfingomyeline
Sterolen: kopgroep = hydroxylgroep, vb. cholesterol: nestelt zich tussen fosfolipiden
Glycolipiden: 2 lange vetzuurstaartketens, kopgroep = suiker, celherkenning, bescherming
extreme omstandigheden
o Glycosfingolipiden: antigenen in immuunreacties vb. humane bloedgroepen
o Gangliosiden: negatief geladen door siaalzuurmoleculen, elektrische
signaaltransductie
Membraanfluïditeit
Fosfolipiden kunnen rond hun as draaien -> flip-flop van binnen naar buiten moeilijk spontaan ->
flipase helpt flip-flop beweging
Fasetransitietemperatuur = temperatuur waarop membraan gaat verstarren, gaat dus over van
vloeibare toestand naar gelachtige toestand
Membraan moet vloeibaar blijven:
Korte, onverzadigde vetten hebben openstaande structuur en worden losser gestapeld ->
fluïditeit wordt verhoogd en transitietemperatuur verlaagd
Hoe meer cholesterol, hoe meer ruimte ertussen
Cholesterol voorkomt alignering vetzuurketens bij lagere temperatuur ->
transitietemperatuur verlaagt
Homeoviskeuze adaptatie: bacteriën, gisten en koedbloedigen kunnen samenstelling membraan
aanpassen met groeitemperatuur en zo vloeibaarheid membraan regelen