Samenvatting cellen hoofdstuk 4: Cellulaire energiehuishouding
KATALYSE EN ENERGIEVERBRUIK
Bouwstenen Grotere eenheden van de cel
Suikers Polysacchariden
Vetzuren Vetten, lipiden, membranen
Aminozuren Proteïnen
Nucleotiden Nucleïnezuren
Energetisch veeleisend om grotere molecule te maken -> hydrolyse = bouwstenen bevrijden: komt
energie vrij
oxidatie: elektronen worden afgegeven
reductie: elektronen worden opgenomen
respiratie: suikers en organische moleculen worden door interactie met zuurstof omgezet in
de meest stabiele koolstof- en waterverbindingen -> suiker w geoxideerd, zuurstof w
gereduceerd
hydrogenatie: meteen een proton opnemen als een molecule een elektron verwerft in de cel
verandering in vrije energie door 1) de intristieke eigenschappen van de moleculen en 2) de
concentraties van deze moleculen -> bij overmaat van 1 van de 2 wordt de reactie in bepaalde
0 [X]
richting gedreven -> mate wordt bepaald door energieverhouding moleculen ∆ G=∆ G + RTln
[Y ]
∆ G0 =−2.58 lnK
activatie-energie nodig om naar lagere energetische toestand over te gaan -> kan verlaagd worden
door enzymen
geactiveerde dragermoleculen beschikkend over hoogenergetische covalente verbindingen ->
kunnen hun energie inzetten op de plaats van biosynthese -> slaan energie op in
een snel uitwisselbare vorm
als overdraagbare chemische groep
als hoog-energie elektron
en kunnen gebruikt worden als bron van energie of als bron van chemische groepen voor
biosynthese
voorbeelden: ATP, NADH, NADPH
ATP: adenine, vijf-koolstof suiker ribose, keten van 3 fosfaatgroepen gebonden aan elkaar door
fosfo-anhydridebinding en aan ribose via fosfoësterbinding
Veel energie komt vrij als ATP -> ADP, evenveel bij ADP -> AMP gekoppelde reactie mogelijk
maken
A-H + B-OH → AB + H20 via B-OH + ATP → B-O-PO3 + ADP en A-H + B-O-PO3 → AB + H20 + Pi
reactie loopt vlot door ze te koppelen aan de hydrolyse van ATP vb: synthese glutamine uit
glutaminezuur
KATALYSE EN ENERGIEVERBRUIK
Bouwstenen Grotere eenheden van de cel
Suikers Polysacchariden
Vetzuren Vetten, lipiden, membranen
Aminozuren Proteïnen
Nucleotiden Nucleïnezuren
Energetisch veeleisend om grotere molecule te maken -> hydrolyse = bouwstenen bevrijden: komt
energie vrij
oxidatie: elektronen worden afgegeven
reductie: elektronen worden opgenomen
respiratie: suikers en organische moleculen worden door interactie met zuurstof omgezet in
de meest stabiele koolstof- en waterverbindingen -> suiker w geoxideerd, zuurstof w
gereduceerd
hydrogenatie: meteen een proton opnemen als een molecule een elektron verwerft in de cel
verandering in vrije energie door 1) de intristieke eigenschappen van de moleculen en 2) de
concentraties van deze moleculen -> bij overmaat van 1 van de 2 wordt de reactie in bepaalde
0 [X]
richting gedreven -> mate wordt bepaald door energieverhouding moleculen ∆ G=∆ G + RTln
[Y ]
∆ G0 =−2.58 lnK
activatie-energie nodig om naar lagere energetische toestand over te gaan -> kan verlaagd worden
door enzymen
geactiveerde dragermoleculen beschikkend over hoogenergetische covalente verbindingen ->
kunnen hun energie inzetten op de plaats van biosynthese -> slaan energie op in
een snel uitwisselbare vorm
als overdraagbare chemische groep
als hoog-energie elektron
en kunnen gebruikt worden als bron van energie of als bron van chemische groepen voor
biosynthese
voorbeelden: ATP, NADH, NADPH
ATP: adenine, vijf-koolstof suiker ribose, keten van 3 fosfaatgroepen gebonden aan elkaar door
fosfo-anhydridebinding en aan ribose via fosfoësterbinding
Veel energie komt vrij als ATP -> ADP, evenveel bij ADP -> AMP gekoppelde reactie mogelijk
maken
A-H + B-OH → AB + H20 via B-OH + ATP → B-O-PO3 + ADP en A-H + B-O-PO3 → AB + H20 + Pi
reactie loopt vlot door ze te koppelen aan de hydrolyse van ATP vb: synthese glutamine uit
glutaminezuur