2.4 Probleem 4 Goldstein &Wolfe
Functies zien van kleur:
- Signaalfunctie: kleuren geven informatie om dingen te identificeren en te classificeren
- Perceptuele functie: het onderscheiden van objecten van elkaar gaat sneller als je kleur kunt
onderscheiden en kan zo helpen bij overleving.
Welke kleuren waarnemen:
- Basiskleuren: rood, geel, groen en blauw. Deze kleuren (en alles hiertussen) zijn verwerkt in
een kleurenspectrum
- Extrapectral colors: bruin en paars, omdat ze niet in het spectrum voorkomen, maar wel in de
kleurencirkel
Het oog registreert tussen de 360 en 760 nm (minder buiging bij lange
golflengtes). Kleur is dus een weergave van verschillende golflengtes,
waarbij elke golflengte zorgt voor een bepaalde kleur:
- Violet: 400 tot 450 nm
- Blauw: 450 tot 490 nm
- Groen: 500 tot 575 nm
- Geel: 575 tot 590 nm
- Oranje: 590 tot 620 nm
- Rood: 620 tot 700 nm
De kleuren van objecten worden grotendeels bepaald door de golflengten van licht die objecten
weerspiegelen in onze ogen. Golflengtes bevatten geen kleur,
want het is een weerkaatsing van licht in het brein.
- Reflectance curve: een grafiek van de hoeveelheid
gereflecteerd licht versus de golflengte voor een aantal
objecten.
- Chromatische kleuren/hues: kleuren waarvan de
golflengtes meer worden gereflecteerd dan andere, bijv.
kleuren als groen, geel, rood en blauw.
- Selectieve reflectie: de eigenschap dat bepaalde
golflengtes meer worden gereflecteerd dan andere
- Achromatische kleuren: als lichtreflectie gelijk is over het
hele spectrum. Het bevat nu geen hues (tinten). Bijv.
zwart, wit of alle kleuren grijs.
Selective transmission: als iets transparent is, wordt kleur gecreëerd door selectieve transmissie.
Hierbij gaan sommige golflengtes door het object of de substantie heen. Bij vloeistoffen of plastic
wordt de kleur aangebracht doordat maar bepaalde golflengtes door de substantie heen gaan.
- Additive color mixing: het mixen van lichten, maar werkt wel anders dan bijv. verf mengen.
Functies zien van kleur:
- Signaalfunctie: kleuren geven informatie om dingen te identificeren en te classificeren
- Perceptuele functie: het onderscheiden van objecten van elkaar gaat sneller als je kleur kunt
onderscheiden en kan zo helpen bij overleving.
Welke kleuren waarnemen:
- Basiskleuren: rood, geel, groen en blauw. Deze kleuren (en alles hiertussen) zijn verwerkt in
een kleurenspectrum
- Extrapectral colors: bruin en paars, omdat ze niet in het spectrum voorkomen, maar wel in de
kleurencirkel
Het oog registreert tussen de 360 en 760 nm (minder buiging bij lange
golflengtes). Kleur is dus een weergave van verschillende golflengtes,
waarbij elke golflengte zorgt voor een bepaalde kleur:
- Violet: 400 tot 450 nm
- Blauw: 450 tot 490 nm
- Groen: 500 tot 575 nm
- Geel: 575 tot 590 nm
- Oranje: 590 tot 620 nm
- Rood: 620 tot 700 nm
De kleuren van objecten worden grotendeels bepaald door de golflengten van licht die objecten
weerspiegelen in onze ogen. Golflengtes bevatten geen kleur,
want het is een weerkaatsing van licht in het brein.
- Reflectance curve: een grafiek van de hoeveelheid
gereflecteerd licht versus de golflengte voor een aantal
objecten.
- Chromatische kleuren/hues: kleuren waarvan de
golflengtes meer worden gereflecteerd dan andere, bijv.
kleuren als groen, geel, rood en blauw.
- Selectieve reflectie: de eigenschap dat bepaalde
golflengtes meer worden gereflecteerd dan andere
- Achromatische kleuren: als lichtreflectie gelijk is over het
hele spectrum. Het bevat nu geen hues (tinten). Bijv.
zwart, wit of alle kleuren grijs.
Selective transmission: als iets transparent is, wordt kleur gecreëerd door selectieve transmissie.
Hierbij gaan sommige golflengtes door het object of de substantie heen. Bij vloeistoffen of plastic
wordt de kleur aangebracht doordat maar bepaalde golflengtes door de substantie heen gaan.
- Additive color mixing: het mixen van lichten, maar werkt wel anders dan bijv. verf mengen.