1. Transmissie
Wanneer licht door een voorwerp passeert vindt er transmissie plaats, dit kan op 2 manieren:
- Doorzichtige of transparante voorwerpen (transparant): Het licht passeert zonder dat het
gebroken wordt. De stralengang kan volledig voorspeld worden. Het is mogelijk om door
deze voorwerpen te kijken.
o Bijvoorbeeld: Brilglazen
- Doorschijnende voorwerpen (translucent): Voorwerpen waar we niet door kunnen kijken,
de lichtstralen worden onvoorspelbaar verstrooid.
o Bijvoorbeeld: Beslagen brilglazen
Opaak = Voorwerpen die geen transmissie toelaten.
1.1 Lichtbreking
Lichtbreking: Als de richting van de lichtstraal verandert als ze overgaat van het ene naar het
andere midden. De lichtstraal wordt twee keer gebroken als hij door een ruit passeert: bij het
intreden en bij het verlaten van de ruit.
Als licht loodrecht invalt, treedt er geen breking op.
Als licht schuin invalt, wordt het wel gebroken
en gedeeltelijk gereflecteerd.
Hoe kleiner de voortplantingssnelheid of de golflengte van het licht, hoe meer de
lichtstraal wordt gebroken. (Dit treedt niet op bij het passeren van een ruit, want beide
grensvlakken zijn hier evenwijdig aan elkaar.)
1
Colour Science Tiffany Volckaert