Je kunt omschrijven wat ‘filosofie’ is.
Filosofie komt voort uit de behoefte aan redelijk inzicht. Men wilde met behulp van eigen
verstand inzicht krijgen in zichzelf en de wereld: hoe het is, waarom het zo is, hoe zou het
kunnen zijn en hoe het zou moeten zijn.
5 domeinen
1. Kwesties die zo omvattend zijn, dat ze ieder specialisme overstijgen
2. Verschillende levensbeschouwelijke problemen waar geen duidelijk antwoord op is
3. Fundamentele kennisvragen die een specialist kan beantwoorden
4. Morele vragen
5. Politieke vragen
Plato/Aristoteles: “Filosofie is de radicalisering van de verwondering.”
- verwondering: stilstand in het denken. Wat gebeurt er? Dit is de motor van het
denken. Voor de oude Grieken was verwondering ook bewondering. Ze dachten veel
na over de Cosmos (het helal).
- de houding van deze filosofen is geen houding om iets te verklaren, maar meer om
iets te beschouwen, om ergens bij stil te staan
- niet verklaren maar ‘schouwen’
- verwondering treedt op als vertrouwdheid wegvalt (bijv. Als je over een glazen vloer
moet lopen). Verschillende reacties die mogelijk zijn: relativisme, cynisme, filosofie
Plato/Aristoteles vinden dat filosofie het methodisch ordenen van de ervaring inhoudt
Emmanuel Kant: “Filosofie als kritische houding”
- de Verlichting: de moed hebben om zelf te denken en niet anderen achterna te lopen
- motto van de verlichting: saperde aude – durf te denken
kant maakt een onderscheid tussen verstand en rede
- Verstand: het verstand ‘vat’ wat in de zintuigen is gegeven. Het is een middel om een
doel te bereiken. (bijv. een rekenmachine heeft verstand en kan helpen om
rekenkundige operaties uit te voeren)
- Rede: de rede ‘begrijpt’ wat in de zintuigen is gegeven. De rede zoekt naar inzicht en
begrip. (je hebt rede nodig om te zien wat de samenhang is tussen verschillende
gebeurtenissen)
Kant ziet de filosofie als een kritische houding van de rede
Wittgenstein: “Filosofie is een strijd tegen de beheksing van ons verstand door de middelen
van taal”
- mensen zijn vaak gevangen in een bepaalde manier van taalgebruik die ervoor zorgt
hoe de mensen de werkelijkheid zien. Bepaalde betekenissen komen met de woorden
mee. Allerlei problemen die we in de werkelijkheid tegen komen kunnen we oplossen
door taal goed te analyseren.
Wittgenstein vindt dat filosofie een taalanalyse is om verborgen aannames te ontmaskeren.
Overeenkomsten tussen de definities van bovenstaande drie zijn
- je zet vraagtekens bij dat wat vanzelfsprekend lijkt
- daarna kritisch kijken naar de vooronderstellingen (het onderliggende kader
analyseren)
- resultaat: redelijk verworven inzicht en begrip
,
,Je begrijpt waarom filosofie van belang is voor de Pedagogische
Wetenschappen.
- Gaat het om scholing of vorming?
- Gaat onderwijs altijd uit van bepaalde waarden/mensbeelden/perspectieven/doelen?
- Biedt pedagogiek verklaringen of juist inzicht?
- Hoe wordt onze identiteit gevormd?
- Voorbeeld van een filosofische analyse: het onderzoek naar intelligentie. Vroeger
deden ze dit door de inhoud van een schedel te meten met zaagsel. Op een gegeven
moment ga je erop stuiten dat dit niet meer werkt en je metingen niet meer kloppen.
onderliggend kader: historisch bepaalde waarden
- Voorbeeld van een filosofische analyse: Rooms katholieke school en identiteit.
Allochtonen kinderen komen naar Nederland en gaan naar een rk school. Veel van
deze kinderen komen uit een andere cultuur en dus ga je je ineens dingen vragen die
je vroeger niet zou doen: moeten we nu nog wel kerst vieren? Bijvoorbeeld.
- Voorbeeld van een filosofische analyse: het onderzoek naar gehechtheid. In andere
landen is de moeder veel minder belangrijk dan in andere landen dus is het onderzoek
naar gehechtheid ook heel anders.
onderliggend kader: cultureel bepaalde aannames
- Voorbeeld van een filosofische analyse: imperialisme van economische denkwijze.
Economisch model: je gaat een kosten en baten analyse maken
onderliggend kader: achterliggende mensbeeld. Het is bijvoorbeeld ook niet altijd zo dat
iedereen altijd maar kosten en baten tegen elkaar afweegt
Wie filosofeert er? Niet alleen de filosoof. Het gaat om het stellen van een bepaald soort
vragen. Vakwetenschappelijke vragen stellen het onderliggende kader niet ter discussie.
Filosofische vragen doen dat wel.
Hoe worden filosofische vragen beantwoord? Door het in kaart brengen van het
begrippenkader, helder analyseren, grotere verbanden leggen, diverse perspectieven zien. Het
is moeilijk om de meest vanzelfsprekende vooronderstellingen op te sporen en ter discussie te
stellen.
Kritisch nadenken over het theoretisch begrippenkader of denkraam. Vragen die daarbij
opkomen kunnen gaan over de geldigheid van het theoretische denkraam, de
veronderstellingen van dit denkraam, de samenhang binnen het theoretische denkraam.
, Je kent het hoofdkenmerk van respectievelijk (i) de filosofie van Oudheid en
middeleeuwen, (ii) de filosofie van de Moderne Tijd en (iii) de filosofie van de
Hedendaagse Tijd.
1. Oudheid en middeleeuwen (ware werkelijkheid in stabiele, universele en
kenbare principes)
Griekse oudheid en de christelijke middeleeuwen. Deze filosofen zijn constant op zoek naar
de ware werkelijkheid achter de waarneembare werkelijkheid. Deze periode loopt vast aan
het einde van de middeleeuwen, ergens rond 1300/1500. Voorbeeld: beslissen abortus ja of
nee. het antwoord ligt ergens in de werkelijkheid buiten ons. De bijbel is de werkelijkheid
buiten ons die de waarheid bevat.
Ware werkelijkheid in stabiele, universele en kenbare principes
Belangrijkste Griekse filosofen (ware werkelijkheid heeft te maken met rationeel denken)
een ware, intelligibele orde
- Socrates
- Plato (ideeënwereld)
- Aristoteles
Belangrijkste middeleeuwse filosofen (ware werkelijkheid kwam naar boven) een
absolute, bovennatuurlijke orde
- Augustinus
- Thomas van aquino
2. Moderne tijd (waarheid ligt binnen het denken van de mens). 1350-1850
Men zegt niet meer dat de waarheid ergens achter de waarneembare werkelijkheid ligt, maar
dat de waarheid in de mens zelf ligt. Dit loopt tot ongeveer 1850. Voorbeeld: beslissen
abortus ja of nee. Daar beslis ik zelf over.
Waarheid ligt binnen het denken van de mens subject staat centraal
Belangrijkste filosofen van de moderne tijd de wending naar het subject
- Descartes
- Hume
- Kant
- Rousseau
3. Hedendaagse tijd (waarheid, hangt altijd af van het perspectief en wordt voor
belangrijk deel bepaald door niet te beheersen krachten en machten)
De waarheid hangt altijd af van het perspectief en wordt door een belangrijk deel bepaald
door niet te beheersen krachten en machten. Voorbeeld: beslissen abortus ja of nee. het lijkt
alsof we zelf beslissen maar als je goed analyseert zie je dat er heel veel krachten buiten ons
zijn die bepalen wat we doen.
Decentrering van het subject: de mens wordt bepaald door niet te beheersen krachten
en machten
Belangrijkste filosofen van de hedendaagse tijd
- Husserl en merleau-ponty lichamelijkheid
- Wittgenstein en bergson taal en tijd
- Sartre en foucault vrijheid en dwang
- Taylor individualiteit
- Freud en lacan autonomie
- Ricoeur verantwoordelijkheid