Le français juridique : Module 4 : vocabulaire Je t’aime moi non plus
Mot français Traduction Néerlandais
Être célibataire = Vrijgezel zijn
Avoir un petit copain = Een vriend(je) hebben
Vivre ensemble / Cohabiter = Samenwonen
Se fiancer avec qq’un = Zich verloven met iemand
Se marier avec qq’un = Trouwen met iemand
Épouser qq’un = Iemand huwen
Marier qq’un à qq’un d’autre = Iemand aan iemand anders uithuwelijken
Le mariage civil = Burgerlijk huwelijk
Le mariage religieux = Kerkelijk huwelijk
Les époux / Les conjoints = Echtgenoten
Les jeunes mariés = Pasgehuwden
Le mari / l’époux = echtgenoot
La femme / l’épouse = Vrouw / echtgenote
Les témoins = Getuigen
Un carnet de mariage / un livret de mariage = Trouwboekje
Les beaux-parents = Schoonouders / stiefouders
Le beau-père = De schoonvader / stiefvader
La belle-mère = De schoonmoeder / stiefmoeder
Les beaux-enfants = Schoonkinderen / stiefkinderen
Le beau-fils = De schoonzoon / stiefzoon
La belle-fille = De schoondochter / stiefdochter
Être enceinte = Zwanger zijn
La grossesse = De zwangerschap
L’accouchement = Bevalling
Un adolescent = Een volwassene
Accoucher de = Bevallen van
L’avortement = Abortus / miskraam
Avoir des enfants = Kinderen hebben
Le père / la mère = De vader / de moeder
La co-parente = De meemoeder
Des jumeaux = Tweeling
Mot français Traduction Néerlandais
Être célibataire = Vrijgezel zijn
Avoir un petit copain = Een vriend(je) hebben
Vivre ensemble / Cohabiter = Samenwonen
Se fiancer avec qq’un = Zich verloven met iemand
Se marier avec qq’un = Trouwen met iemand
Épouser qq’un = Iemand huwen
Marier qq’un à qq’un d’autre = Iemand aan iemand anders uithuwelijken
Le mariage civil = Burgerlijk huwelijk
Le mariage religieux = Kerkelijk huwelijk
Les époux / Les conjoints = Echtgenoten
Les jeunes mariés = Pasgehuwden
Le mari / l’époux = echtgenoot
La femme / l’épouse = Vrouw / echtgenote
Les témoins = Getuigen
Un carnet de mariage / un livret de mariage = Trouwboekje
Les beaux-parents = Schoonouders / stiefouders
Le beau-père = De schoonvader / stiefvader
La belle-mère = De schoonmoeder / stiefmoeder
Les beaux-enfants = Schoonkinderen / stiefkinderen
Le beau-fils = De schoonzoon / stiefzoon
La belle-fille = De schoondochter / stiefdochter
Être enceinte = Zwanger zijn
La grossesse = De zwangerschap
L’accouchement = Bevalling
Un adolescent = Een volwassene
Accoucher de = Bevallen van
L’avortement = Abortus / miskraam
Avoir des enfants = Kinderen hebben
Le père / la mère = De vader / de moeder
La co-parente = De meemoeder
Des jumeaux = Tweeling