vTECH 05-005 Magnetic Resonance Imaging
Deze zelfstudie is een voorbereiding op het college “MRI beeldvorming”.
Leerdoelen
Uitleggen hoe plakselectie werkt.
Bij het selecteren van de plak die we gaan afbeelden, wordt een gradiënt aangezet tegelijkertijd
met de excitatiepuls; deze gradiënt noemen we de plakselecterende gradiënt (z-gradiënt). De
gradiënt laat de precessiefrequentie variëren in de plakrichting, zodat deze frequentie slechts
plaatselijk, namelijk in de geselecteerde plak, overeenkomt met de frequentie van de RF-puls.
Uitleggen hoe frequentie- en fasecodering werkt.
Fasecodering wordt toegepast net voor de 180°-puls. Tussen de excitatiepuls en de 180°-puls
gaan de spins defaseren en de nettomagnetisatie neemt af. Net voor de 180°-puls wordt de
fasecoderende gradiënt aangezet. Er zijn nu spins die een sterker veld voelen en sneller gaan
precesseren, andere voelen een minder sterk veld en gaan langzamer precesseren; hierdoor
ontstaat een extra faseverschil. Na het uitschakelen van de gradiënt gaan alle spins weer met
dezelfde frequentie precesseren. Door de 180°-puls worden spins gerefaseerd; het faseverschil
dat veroorzaakt is door de gradiënt blijft echter bestaan tot het signaal wordt uitgelezen, dit
signaal bestaat dus uit radiogolven met meerdere fasen; uit de fase van het signaal kan afgeleid
worden uit welk deel van de plak dit signaal afkomstig is.
Frequentiecodering vindt plaats tijdens het uitlezen van het signaal, dus tijdens de echo. Tijdens
de echo wordt ook een gradiëntschakeling gebruikt. Deze gradiënt heet de frequentiecoderende
gradiënt of de uitleesgradiënt (read out gradient). Deze gradiënt zorgt voor frequentieverschillen
in het signaal: spins in een sterker magneetveld gaan met een hogere frequentie precesseren en
in een zwakker magneetveld wordt de frequentie lager. De verschillende frequenties zijn tot een
plaats in de plak te herleiden.
Beschrijven wat het k-vlak is en hoe het wordt opgebouwd.
De dataopslagruimte noemen we K-vlak. Het K-vlak wordt schematisch voorgesteld als een
rechthoekig vlak met daarin een x-as en een y-as (frequentieas en faseas). Evenwijdig aan de x-
as worden lijnen geschreven die de gesamplede datapunten per echo bevatten. De hoogte van
de lijn staat voor de sterkte van de y-gradiënt bij het lezen van de echo.
Bandbreedte bij een gegeven plakdikte en gradientsterkte uitrekenen.
Deze zelfstudie is een voorbereiding op het college “MRI beeldvorming”.
Leerdoelen
Uitleggen hoe plakselectie werkt.
Bij het selecteren van de plak die we gaan afbeelden, wordt een gradiënt aangezet tegelijkertijd
met de excitatiepuls; deze gradiënt noemen we de plakselecterende gradiënt (z-gradiënt). De
gradiënt laat de precessiefrequentie variëren in de plakrichting, zodat deze frequentie slechts
plaatselijk, namelijk in de geselecteerde plak, overeenkomt met de frequentie van de RF-puls.
Uitleggen hoe frequentie- en fasecodering werkt.
Fasecodering wordt toegepast net voor de 180°-puls. Tussen de excitatiepuls en de 180°-puls
gaan de spins defaseren en de nettomagnetisatie neemt af. Net voor de 180°-puls wordt de
fasecoderende gradiënt aangezet. Er zijn nu spins die een sterker veld voelen en sneller gaan
precesseren, andere voelen een minder sterk veld en gaan langzamer precesseren; hierdoor
ontstaat een extra faseverschil. Na het uitschakelen van de gradiënt gaan alle spins weer met
dezelfde frequentie precesseren. Door de 180°-puls worden spins gerefaseerd; het faseverschil
dat veroorzaakt is door de gradiënt blijft echter bestaan tot het signaal wordt uitgelezen, dit
signaal bestaat dus uit radiogolven met meerdere fasen; uit de fase van het signaal kan afgeleid
worden uit welk deel van de plak dit signaal afkomstig is.
Frequentiecodering vindt plaats tijdens het uitlezen van het signaal, dus tijdens de echo. Tijdens
de echo wordt ook een gradiëntschakeling gebruikt. Deze gradiënt heet de frequentiecoderende
gradiënt of de uitleesgradiënt (read out gradient). Deze gradiënt zorgt voor frequentieverschillen
in het signaal: spins in een sterker magneetveld gaan met een hogere frequentie precesseren en
in een zwakker magneetveld wordt de frequentie lager. De verschillende frequenties zijn tot een
plaats in de plak te herleiden.
Beschrijven wat het k-vlak is en hoe het wordt opgebouwd.
De dataopslagruimte noemen we K-vlak. Het K-vlak wordt schematisch voorgesteld als een
rechthoekig vlak met daarin een x-as en een y-as (frequentieas en faseas). Evenwijdig aan de x-
as worden lijnen geschreven die de gesamplede datapunten per echo bevatten. De hoogte van
de lijn staat voor de sterkte van de y-gradiënt bij het lezen van de echo.
Bandbreedte bij een gegeven plakdikte en gradientsterkte uitrekenen.