Tijdvak 8: Tijd van Burgers en Stoommachines (1800 - 1900)
KA31: De industriële revolutie legde in de westerse wereld de basis voor een
industriële samenleving
Industriële revolutie: vanwege technologische vooruitgang en mechanisering van
de productie (o.a. door uitvindingen dankzij KA26) ontstaat massaproductie.
Machines zorgen voor snelle en grootschalige productie. Oorzaken: meer winst,
door agrarische revolutie minder mensen nodig op het land. Overgang van
agrarisch-stedelijke samenleving naar industriële samenleving (= meeste mensen
werken in de industrie en wonen in een stad). Sociale gevolgen: einde
standenmaatschappij, ontstaan klassenmaatschappij (= plaats in de maatschappij
bepaald door economische positie; meer geld = betere positie).
KA32: Discussies over de ‘sociale kwestie’
Door ontstaan industriële maatschappij -> migratie naar de stad. Veel problemen in
arbeiderswijken: slechte huizen, ziekten, criminaliteit. Hierdoor: ontstaan sociale
kwestie (= discussie over slechte woning- en werkomstandigheden van arbeiders).
Verschillende oplossingen mogelijk: particuliere liefdadigheid voor armen, geen
overheidsingrijpen (liberalen). Anderen radicaler: ingrijpen overheid -> afschaffen
kinderarbeid, verbeteren woonomgeving (socialisten);
inperken kapitalisme (conservatieven, confessionelen)
KA33: De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de
industrialisatie
Door industriële revolutie (KA31) -> Europese landen veroveren van binnenlanden in
plaats van alleen vestigen in kunstgebieden. Geen handel met Afrika en Azië, maar
totale overheersing van beide continenten (= modern imperialisme). Hiervoor zijn er
drie redenen: (i) meer grondstoffen voor Europa; (ii) betere communicatie met en
vervoer tussen kolonisatoren en kolonie; (iii) idee dat Europa buitenlandse, niet-witte
volken moest ‘opvoeden’ en kerstenen (= combinatie van nationalisme en wit
superioriteitsgevoel) -> Azië veroverd, Afrika verdeeld in invloedssferen
KA34: De opkomst van emancipatiebewegingen
Groepen strijden voor rechten = emancipatiebewegingen. In Nederland drie
belangrijke: (i) rechten voor arbeiders: verbeteren leefomstandigheden en
woningen (met politieke hulp van socialisten en sociaaldemocraten);
(ii) schoolstrijd: christenen (met name katholieken en orthodoxe protestanten) willen
net als openbare scholen geld van de overheid (met politieke hulp van de ARP, de
eerste confessionele partij); (iii) feminisme: verkrijgen van kiesrecht en andere
rechten (zoals recht op onderwijs; belangrijk voorbeeld: Aletta Jacobs)
KA35: Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer
mannen en vrouwen aan het politieke proces
Grootste gedeelte negentiende eeuw: censuskiesrecht (= kiesrecht op basis van
betaalde belasting; alleen rijke burgers konden dit betalen). Er was dus
een parlementair stelsel (= een parlement maakt wetten), maar géén democratie.
Gedurende negentiende eeuw in Nederland: census steeds verder verlaagd. Twee
groepen willen verbreding kiesrecht: socialisten (algemeen kiesrecht, waardoor ook
armen en arbeiders konden stemmen; ingevoerd in 1917) en feministen (willen
KA31: De industriële revolutie legde in de westerse wereld de basis voor een
industriële samenleving
Industriële revolutie: vanwege technologische vooruitgang en mechanisering van
de productie (o.a. door uitvindingen dankzij KA26) ontstaat massaproductie.
Machines zorgen voor snelle en grootschalige productie. Oorzaken: meer winst,
door agrarische revolutie minder mensen nodig op het land. Overgang van
agrarisch-stedelijke samenleving naar industriële samenleving (= meeste mensen
werken in de industrie en wonen in een stad). Sociale gevolgen: einde
standenmaatschappij, ontstaan klassenmaatschappij (= plaats in de maatschappij
bepaald door economische positie; meer geld = betere positie).
KA32: Discussies over de ‘sociale kwestie’
Door ontstaan industriële maatschappij -> migratie naar de stad. Veel problemen in
arbeiderswijken: slechte huizen, ziekten, criminaliteit. Hierdoor: ontstaan sociale
kwestie (= discussie over slechte woning- en werkomstandigheden van arbeiders).
Verschillende oplossingen mogelijk: particuliere liefdadigheid voor armen, geen
overheidsingrijpen (liberalen). Anderen radicaler: ingrijpen overheid -> afschaffen
kinderarbeid, verbeteren woonomgeving (socialisten);
inperken kapitalisme (conservatieven, confessionelen)
KA33: De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de
industrialisatie
Door industriële revolutie (KA31) -> Europese landen veroveren van binnenlanden in
plaats van alleen vestigen in kunstgebieden. Geen handel met Afrika en Azië, maar
totale overheersing van beide continenten (= modern imperialisme). Hiervoor zijn er
drie redenen: (i) meer grondstoffen voor Europa; (ii) betere communicatie met en
vervoer tussen kolonisatoren en kolonie; (iii) idee dat Europa buitenlandse, niet-witte
volken moest ‘opvoeden’ en kerstenen (= combinatie van nationalisme en wit
superioriteitsgevoel) -> Azië veroverd, Afrika verdeeld in invloedssferen
KA34: De opkomst van emancipatiebewegingen
Groepen strijden voor rechten = emancipatiebewegingen. In Nederland drie
belangrijke: (i) rechten voor arbeiders: verbeteren leefomstandigheden en
woningen (met politieke hulp van socialisten en sociaaldemocraten);
(ii) schoolstrijd: christenen (met name katholieken en orthodoxe protestanten) willen
net als openbare scholen geld van de overheid (met politieke hulp van de ARP, de
eerste confessionele partij); (iii) feminisme: verkrijgen van kiesrecht en andere
rechten (zoals recht op onderwijs; belangrijk voorbeeld: Aletta Jacobs)
KA35: Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer
mannen en vrouwen aan het politieke proces
Grootste gedeelte negentiende eeuw: censuskiesrecht (= kiesrecht op basis van
betaalde belasting; alleen rijke burgers konden dit betalen). Er was dus
een parlementair stelsel (= een parlement maakt wetten), maar géén democratie.
Gedurende negentiende eeuw in Nederland: census steeds verder verlaagd. Twee
groepen willen verbreding kiesrecht: socialisten (algemeen kiesrecht, waardoor ook
armen en arbeiders konden stemmen; ingevoerd in 1917) en feministen (willen