Samenvatting D4
‘Psychiatrie B’
Daan Beers
Klinische vraagstukken – Cluster D
,Inhoudsopgave
Dwangstoornissen .................................................................................................................. 4
Obsessieve-compulsieve stoornis ....................................................................................... 4
Morfodysfore stoornis ........................................................................................................ 4
Verzamelstoornis................................................................................................................ 4
Trichotillomanie en excoriatiestoornis................................................................................ 4
Psychotrauma en stressor-gerelateerde stoornissen .............................................................. 5
Acute stressstoornis ........................................................................................................... 5
Posttraumatische-stressstoornis ........................................................................................ 5
Aanpassingsstoornissen...................................................................................................... 5
Dissociatieve stoornissen ....................................................................................................... 6
Dissociatieve identiteitsstoornis ......................................................................................... 6
Dissociatieve amnesie ........................................................................................................ 6
Dissociatieve fugue ......................................................................................................... 6
Depersonalisatie-/derealisatiestoornis ............................................................................... 6
Eetstoornissen........................................................................................................................ 8
Anorexia nervosa................................................................................................................ 8
Boulimia nervosa en eetbuistoornis.................................................................................... 8
Somatische-symptoomstoornissen......................................................................................... 9
Somatische-symptoomstoornis .......................................................................................... 9
Ziekteangststoornis ............................................................................................................ 9
Conversiestoornis ............................................................................................................... 9
Stemmingsstoornissen ......................................................................................................... 10
Bipolaire-stemmingsstoornissen....................................................................................... 10
Behandeling.................................................................................................................. 10
Depressieve-stemmingsstoornissen ................................................................................. 11
Behandeling.................................................................................................................. 11
Neurobiologische behandelingen ..................................................................................... 11
Stemmingsstabilisatoren .............................................................................................. 11
Antidepressiva .............................................................................................................. 12
Niet-farmacologische behandelingen ............................................................................... 12
Elektroconvulsieve therapie ......................................................................................... 12
Lichttherapie ................................................................................................................ 13
Transcraniële magnetische stimulatie........................................................................... 13
Persoonlijkheidsstoornissen ................................................................................................. 14
2
, Cluster A-persoonlijkheidsstoornissen .............................................................................. 14
Paranoïde-persoonlijkheidsstoornis.............................................................................. 14
Schizoïde-persoonlijkheidsstoornis ............................................................................... 15
Schizotypische-persoonlijkheidsstoornis....................................................................... 15
Cluster B-persoonlijkheidsstoornissen .............................................................................. 15
Antisociale-persoonlijkheidsstoornis ............................................................................ 15
Borderline-persoonlijkheidsstoornis ............................................................................. 16
Histrionische-persoonlijkheidsstoornis ......................................................................... 16
Narcistische-persoonlijkheidsstoornis........................................................................... 16
Cluster C-persoonlijkheidsstoornissen .............................................................................. 16
Vermijdende-persoonlijkheidsstoornis ......................................................................... 17
Afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis .......................................................................... 17
Dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis ........................................................................ 17
Psychotherapie .................................................................................................................... 18
Appraisal, coping en afweer ............................................................................................. 18
Afweermechanismen .................................................................................................... 18
Soorten psychotherapie ................................................................................................... 19
Psychodynamisch psychotherapie ................................................................................ 19
Cognitieve gedragstherapie .......................................................................................... 19
Cliëntgerichte experiëntiële therapie............................................................................ 20
Systeemtherapie........................................................................................................... 20
3
, Dwangstoornissen
De meeste mensen vertonen in de kindertijd wel dwangmatig gedrag (niet op de lijnen
tussen stoeptegels staan, als het stoplicht drie keer op groen gaat heb ik mijn proefwerk
gehaald). Veel mensen controleren het gas en de sloten eenmaal voordat ze naar bed gaan,
omdat controle een gevoel van veiligheid geeft (in je slaap ben je immers kwetsbaar). Als het
risico groter wordt, bijvoorbeeld bij vertrek voor een lange vakantie, controleren veel
mensen hun huis extra goed. Dit soort herhalingsgedrag valt binnen normale grenzen.
Bij een streptokokkeninfectie kunnen er antilichamen tegen de basale ganglia gemaakt
worden. Hierdoor kunnen dwangstoornissen ontstaan. Wanneer de infectie behandeld
worden zullen de dwangstoornissen ook afnemen.
Obsessieve-compulsieve stoornis
OCS zich door obsessies (dwanggedachten, dwangimpulsen en/of dwangbeelden) en/of
compulsies (dwanghandelingen: ook psychische activiteiten). Obsessies worden, zeker in het
begin als ik-vreemd: de patiënt beleeft ze als niet-eigen en onwenselijk. De obsessies gaan
gepaard met angst of onrust. Omdat ze hinderlijk zijn, probeert de persoon er weerstand
tegen te bieden door ze te negeren, ze te neutraliseren of ze te stoppen, bijvoorbeeld door
compulsies. De compulsies kunnen dwanghandelingen zijn (handen wassen, ordenen,
controleren), of geruststellende psychische activiteiten (bidden, tellen, woorden in stilte
herhalen).
Morfodysfore stoornis
Bij de morfodysfore stoornis (ook wel ‘stoornis in de lichaamsbeleving’) is de patiënt steeds
bezig met een vermeende misvorming of onvolkomenheid in het uiterlijk die voor een
buitenstaander niet aanwezig zijn. Hierbij kan het om alle delen van het lichaam gaan, maar
betreft voornamelijk de ogen, kin, neus, tanden, borsten en de geslachtsdelen.
Verzamelstoornis
Bij de verzamelstoornis is er sprake van een pathologische verzameldrang in combinatie met
het onvermogen bezittingen weg te doen. De moeite om spullen weg te gooien is niet
afhankelijk van de economische waarde.
Er is een groot verschil tussen de verzamelstoornis en het gewone verzamelen: het
verzamelen veroorzaakt stress, huisvestingsproblemen en kan leiden tot gevaren voor
derden (brandgevaar, etc.). Bij gewone verzamelaars daarentegen is er sprake van plezier en
structuur, en is het verzamelen vaak een sociale activiteit.
Trichotillomanie en excoriatiestoornis
Bij de trichotillomanie (haaruittrekstoornis) heeft de patiënt de onbedwingbare neiging om
lichaamsharen uit te trekken. Meestal worden de haren op het hoofd of in het gelaat
(wenkbrauwen en oogleden) uitgetrokken, minder vaak de overige beharing van het
lichaam. Omdat de haren vaak opgegeten worden moet er gedacht worden aan de
aanwezigheid van haarballen met mogelijk een acute buik als gevolg.
4
‘Psychiatrie B’
Daan Beers
Klinische vraagstukken – Cluster D
,Inhoudsopgave
Dwangstoornissen .................................................................................................................. 4
Obsessieve-compulsieve stoornis ....................................................................................... 4
Morfodysfore stoornis ........................................................................................................ 4
Verzamelstoornis................................................................................................................ 4
Trichotillomanie en excoriatiestoornis................................................................................ 4
Psychotrauma en stressor-gerelateerde stoornissen .............................................................. 5
Acute stressstoornis ........................................................................................................... 5
Posttraumatische-stressstoornis ........................................................................................ 5
Aanpassingsstoornissen...................................................................................................... 5
Dissociatieve stoornissen ....................................................................................................... 6
Dissociatieve identiteitsstoornis ......................................................................................... 6
Dissociatieve amnesie ........................................................................................................ 6
Dissociatieve fugue ......................................................................................................... 6
Depersonalisatie-/derealisatiestoornis ............................................................................... 6
Eetstoornissen........................................................................................................................ 8
Anorexia nervosa................................................................................................................ 8
Boulimia nervosa en eetbuistoornis.................................................................................... 8
Somatische-symptoomstoornissen......................................................................................... 9
Somatische-symptoomstoornis .......................................................................................... 9
Ziekteangststoornis ............................................................................................................ 9
Conversiestoornis ............................................................................................................... 9
Stemmingsstoornissen ......................................................................................................... 10
Bipolaire-stemmingsstoornissen....................................................................................... 10
Behandeling.................................................................................................................. 10
Depressieve-stemmingsstoornissen ................................................................................. 11
Behandeling.................................................................................................................. 11
Neurobiologische behandelingen ..................................................................................... 11
Stemmingsstabilisatoren .............................................................................................. 11
Antidepressiva .............................................................................................................. 12
Niet-farmacologische behandelingen ............................................................................... 12
Elektroconvulsieve therapie ......................................................................................... 12
Lichttherapie ................................................................................................................ 13
Transcraniële magnetische stimulatie........................................................................... 13
Persoonlijkheidsstoornissen ................................................................................................. 14
2
, Cluster A-persoonlijkheidsstoornissen .............................................................................. 14
Paranoïde-persoonlijkheidsstoornis.............................................................................. 14
Schizoïde-persoonlijkheidsstoornis ............................................................................... 15
Schizotypische-persoonlijkheidsstoornis....................................................................... 15
Cluster B-persoonlijkheidsstoornissen .............................................................................. 15
Antisociale-persoonlijkheidsstoornis ............................................................................ 15
Borderline-persoonlijkheidsstoornis ............................................................................. 16
Histrionische-persoonlijkheidsstoornis ......................................................................... 16
Narcistische-persoonlijkheidsstoornis........................................................................... 16
Cluster C-persoonlijkheidsstoornissen .............................................................................. 16
Vermijdende-persoonlijkheidsstoornis ......................................................................... 17
Afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis .......................................................................... 17
Dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis ........................................................................ 17
Psychotherapie .................................................................................................................... 18
Appraisal, coping en afweer ............................................................................................. 18
Afweermechanismen .................................................................................................... 18
Soorten psychotherapie ................................................................................................... 19
Psychodynamisch psychotherapie ................................................................................ 19
Cognitieve gedragstherapie .......................................................................................... 19
Cliëntgerichte experiëntiële therapie............................................................................ 20
Systeemtherapie........................................................................................................... 20
3
, Dwangstoornissen
De meeste mensen vertonen in de kindertijd wel dwangmatig gedrag (niet op de lijnen
tussen stoeptegels staan, als het stoplicht drie keer op groen gaat heb ik mijn proefwerk
gehaald). Veel mensen controleren het gas en de sloten eenmaal voordat ze naar bed gaan,
omdat controle een gevoel van veiligheid geeft (in je slaap ben je immers kwetsbaar). Als het
risico groter wordt, bijvoorbeeld bij vertrek voor een lange vakantie, controleren veel
mensen hun huis extra goed. Dit soort herhalingsgedrag valt binnen normale grenzen.
Bij een streptokokkeninfectie kunnen er antilichamen tegen de basale ganglia gemaakt
worden. Hierdoor kunnen dwangstoornissen ontstaan. Wanneer de infectie behandeld
worden zullen de dwangstoornissen ook afnemen.
Obsessieve-compulsieve stoornis
OCS zich door obsessies (dwanggedachten, dwangimpulsen en/of dwangbeelden) en/of
compulsies (dwanghandelingen: ook psychische activiteiten). Obsessies worden, zeker in het
begin als ik-vreemd: de patiënt beleeft ze als niet-eigen en onwenselijk. De obsessies gaan
gepaard met angst of onrust. Omdat ze hinderlijk zijn, probeert de persoon er weerstand
tegen te bieden door ze te negeren, ze te neutraliseren of ze te stoppen, bijvoorbeeld door
compulsies. De compulsies kunnen dwanghandelingen zijn (handen wassen, ordenen,
controleren), of geruststellende psychische activiteiten (bidden, tellen, woorden in stilte
herhalen).
Morfodysfore stoornis
Bij de morfodysfore stoornis (ook wel ‘stoornis in de lichaamsbeleving’) is de patiënt steeds
bezig met een vermeende misvorming of onvolkomenheid in het uiterlijk die voor een
buitenstaander niet aanwezig zijn. Hierbij kan het om alle delen van het lichaam gaan, maar
betreft voornamelijk de ogen, kin, neus, tanden, borsten en de geslachtsdelen.
Verzamelstoornis
Bij de verzamelstoornis is er sprake van een pathologische verzameldrang in combinatie met
het onvermogen bezittingen weg te doen. De moeite om spullen weg te gooien is niet
afhankelijk van de economische waarde.
Er is een groot verschil tussen de verzamelstoornis en het gewone verzamelen: het
verzamelen veroorzaakt stress, huisvestingsproblemen en kan leiden tot gevaren voor
derden (brandgevaar, etc.). Bij gewone verzamelaars daarentegen is er sprake van plezier en
structuur, en is het verzamelen vaak een sociale activiteit.
Trichotillomanie en excoriatiestoornis
Bij de trichotillomanie (haaruittrekstoornis) heeft de patiënt de onbedwingbare neiging om
lichaamsharen uit te trekken. Meestal worden de haren op het hoofd of in het gelaat
(wenkbrauwen en oogleden) uitgetrokken, minder vaak de overige beharing van het
lichaam. Omdat de haren vaak opgegeten worden moet er gedacht worden aan de
aanwezigheid van haarballen met mogelijk een acute buik als gevolg.
4