Schema inleiding filosofie
Filosofische aard, filosofie = een kritische vraag stellen, vanop afstand,
over iets vanzelfsprekend.
“Wat is de mens?”
“Wat denken we te kennen, wat is kennen?”
Een filosoof weet dat de oorsprong of ware betekenis niet te vinden is.
Fundament = het punt waaruit de mens naar de wereld en naar zichzelf
kijkt. Dit fundament verschuift doorheen de geschiedenis.
Voor de binnen/buiten positie kijkt men naar het verhaal van Diogenes
van Sinope. De ton van Diogenes in het midden van de markt. De ton is
de buitenpositie maar deze staan binnen in de markt, in het midden van
alles. Je bekijkt alles vanaf een buitenpositie maar die bestaat niet, je
staat in de realiteit.
Het axioma van de filosofie = de zelfontdekking van de logos, als de
plaats van de waarheid.
DUS de mens vind in zijn eigen verstand iets dat eeuwigs en
onveranderlijks is.
(Eeuwig en onveranderlijk, wordt voor het eerst gebruikt in de
6de eeuw voor Christus.)
Axioma = een uitgangspunt dat wordt aangenomen als beginpunt.
Vooraf keek men naar de goden voor antwoorden. Dit deden ze in
tempels, orakels. Ze krijgen hun antwoord van een Pitia die de taal van
de goden spreekt. Maar dit antwoord kan door iedereen anders worden
geïnterpreteerd. Dit is iets anders dan de waarheid kennen.
Filosofie bestaat als je luistert naar de logos, de woorden letterlijk
nemen. Focus op de taal. Hierdoor verplaatst de plaats waar je
antwoorden gaat zoeken.
De focus ligt op de taal omdat de democratie ontstaat, de dèmos komt
aan de macht. Ze moeten kunnen praten, elkaar kunnen overtuigen.
Filosofische aard, filosofie = een kritische vraag stellen, vanop afstand,
over iets vanzelfsprekend.
“Wat is de mens?”
“Wat denken we te kennen, wat is kennen?”
Een filosoof weet dat de oorsprong of ware betekenis niet te vinden is.
Fundament = het punt waaruit de mens naar de wereld en naar zichzelf
kijkt. Dit fundament verschuift doorheen de geschiedenis.
Voor de binnen/buiten positie kijkt men naar het verhaal van Diogenes
van Sinope. De ton van Diogenes in het midden van de markt. De ton is
de buitenpositie maar deze staan binnen in de markt, in het midden van
alles. Je bekijkt alles vanaf een buitenpositie maar die bestaat niet, je
staat in de realiteit.
Het axioma van de filosofie = de zelfontdekking van de logos, als de
plaats van de waarheid.
DUS de mens vind in zijn eigen verstand iets dat eeuwigs en
onveranderlijks is.
(Eeuwig en onveranderlijk, wordt voor het eerst gebruikt in de
6de eeuw voor Christus.)
Axioma = een uitgangspunt dat wordt aangenomen als beginpunt.
Vooraf keek men naar de goden voor antwoorden. Dit deden ze in
tempels, orakels. Ze krijgen hun antwoord van een Pitia die de taal van
de goden spreekt. Maar dit antwoord kan door iedereen anders worden
geïnterpreteerd. Dit is iets anders dan de waarheid kennen.
Filosofie bestaat als je luistert naar de logos, de woorden letterlijk
nemen. Focus op de taal. Hierdoor verplaatst de plaats waar je
antwoorden gaat zoeken.
De focus ligt op de taal omdat de democratie ontstaat, de dèmos komt
aan de macht. Ze moeten kunnen praten, elkaar kunnen overtuigen.