MSA Samenvatting Blok B
Vaardigheidslessen MSA Extremiteiten
MSAe.V.1. X
Elementen behandeling wat is de hulpvraag
wat is reactiviteiten van de klacht
is beweging adaptief / maladaptief
welke structuur wil ik behandelen
hoe kan ik mijn behandeleffecten in kaart brengen
shared descision : overeenkomst behandelingtechnieken
welke rationale je hebt : welke technieken zet je wanneer uit
Retractie training Hierbij stabiliseer je de arm om de romp
Voorwaarde Hierbij wordt er gekeken naar mobiliteit en neuromusculaire controle dus de stabiliteit tijdens
bewegingen, een beweging.
normaliseren beweging
MSAe.V.2. X
Intermezzo meten Met doelgericht werken wordt bedoeld dat je na langer en korter termijn je resultaat gaat
behandeling korte evalueren. Dit kan je meetbaar maken bij mobiliteit d.m.v. stenver testen of een app waarbij
termijn ROM wordt gekeken.
Welke structuur Hoe weet je of je een spier of een kapsel aan het rekken ben, hierbij weet je vaak dat bij
mobiliseer je HOLDRELAX als je dan veel verder komt ben je vaak een spier aan het rekken. Gewrichtskapsel
is dus moeilijk te beïnvloeden denk hierbij ook aan een Frozen Shoulder dat je ondanks rekken
ook niet verder komt.
Regio’s mobilisatie - scapulothoracaal glijvlak
- glenonumerale gewricht
- cervicale wervelkolom
- thoracale wervelkolom
- AC-gewricht
- SC-gewricht
Mobiliteitsbeperkingen Artrose
Spieren
Kapsel weinig mobiliteit mogelijkheden
Vanuit brein mal-adaptief of adaptief gedrag aansturen
Mobilisatie na 1 week immobilisatie kunnen al contracturen van een gewricht ontstaan
MSAeV.3. X
Scapula onderzoek ROM + AROM
passieve anteflexie d.m.v. voorover buigen met loshangende armen waarbij er gekeken
word naar de beweging van de scapula. Hierbij kan je wellicht zien dat spieren ontspannen
en wel naar een bepaalde stand gebracht kan worden en bijv. een motor control probleem
is.
Anteflexie met gesloten keten bijv. squat met een stok
1
, MSA Samenvatting Blok B
Scapula behandeling Sommige beginnen functioneel en kijken of dit gaat
en of ze hierbij geholpen zijn en daarna eventueel
nog naar de basis gaan richting regionaal of lokaal.
Anderen beginnen ook weer vanuit de basis dus
lokaal en bouwen vanuit hier op. Hier zijn dus
verschillende visies op en is ook patiënt afhankelijk.
Lokaal
Uitgangshouding : zijlig op de bank en arm op halve rol en evt. met twee spiegels zodat
patiënt mee kan kijken , onderzoek zit ernaast en dit opbouwen naar zittend en evt. UHV bij
toevoegen.
- passief
- geleid actief
- actief
Intern : passief en geleid actief
Extern : naar oor en plafond, naar vinger die ergens aangewezen wordt, d.m.v. bal tussen de
scapula voor mediorotatie
Regionaal, deelbewegingen van problematisch handeling
Zij-lig op de grond d.m.v. bal rollen evt. tussen twee voorwerpen zodat je accent op elevatie
– depressie krijgt .
Intern/extern : zie hierboven
Armen bewegingen met rug tegen de muur
Zittend naast een hoge behandelbank waarbij leuning omhoog staat en zelfde oefeningen
als op de grond alleen komt hierbij nog spierkracht bij omdat de bal tussen de arm en bank
gehouden moet worden.
Staand bal tegen de muur
Patronen schetsen in de lucht
Hand aantikken
Met een stok over een lijn waarbij mediorotatie vermeden moet worden
Functioneel
Sport, activiteit gericht waarbij de bewegingen in zijn geheel uitgevoerd wordt.
Differentiatiemogelijkheden
Snelheid
Ogen open – dicht
Weerstand, zwaartekracht, geen weerstand
Liggend, zittend, staan, functioneel
Dubbeltaak
Passief – geleid actief -actief
Intern / extern
Motorisch leren een proces dat leidt tot relatieve duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg
2
, MSA Samenvatting Blok B
van specifieke ervaringen met de omgeving’. Motorisch leren zorgt voor veranderingen in het
vermogen om motorische taken of activiteiten uit te voeren. Als leidraad voor bruikbare
motorisch leertechnieken kun je de verschillende artikelen van Peter Beek gebruiken.
Old way new way gebaseerd op aannemelijke theoretisch principe en is gesteld op principe van proactieve
methode inhibitie en is oorspronkelijk uit de traditionele leerpsychologie. Heeft betrekking op de
onwillekeurig neiging nieuwe kennis of informatie te onderdrukken als die afwijkt van de kennis
of informatie waarover een individu al beschikt.
1. preperatiefase : zowel nieuwe als oude manier uitvoeren en daarbij verschil benoemen
2. Mediatiefase: patiënt geeft zelf actief aan tijdens het oefenen 5x
3. Toepassing : nieuwe vorm wordt veelvoudig herhaald, zoals in traditionele vormen
gebruikt wordt.
Impliciete Expliciete kennis : betrekking op feiten en regels waar we ons bewust van zijn en die we
kennisopbouw kunnen benoemen
Impliciete kennis : zaken die we kennen zonder te beseffen en daardoor ook niet kunnen
vewrwoorden ( tacit knowlede / stille kennis )
impliciete kennis is een vorm van analogieleren : en is aangetoond dat het leidt tot
leerresultaten die beter bestand zijn tegen de negatieve effecten van (mentale) druk
dan de met expliciet leren behaalde leerresultaten.
Anaologie : een omvattende enkelvoudige instructie over de uit te voeren beweging
waarin een groot aantal teakrelevante regels besloten ligt, zonder dat deze expliciet
benoemd worden of expliciet in het bewustzijn verschijnen.
voorkomt en verkleind chocking under pressure
Interne focus : knowledge of perfomance ( kennis van uitvoering ) / aandacht gericht op de
uitvoering van de bewegingen of op de mechanische en neurale processen (spierspanning
of verdelen van lichaamsgewicht over beide voeten )
Externe focus : knowledge of results ( kennis van resultaat ) / aandacht gericht op effect van
de bewegingen op de omgeving ( zwaaien van de racket stick of club locatie waarop de
vinger zit ).
meer en snellere reflexlussen
verhoogt effectiviteit + efficiëntie van beweging
vanuit wetenschap zeggen ze dat externe focus beter is
Is voornamelijk gericht op intern en extern
Drie-fasen-model van Stelt het leren van complexe bewegingen langs drie stadia gaat, die zich kenmerken door een
Fitts en Posner gaandeweg onafhankelijk worden van mentale processen en een steeds sterkere automatisering
van de bewegingsuitvoering.
kent de fasen van een 1. Cognitieve fase doorgronden van bewegingen of handelingen, wordt expliciet stap-voor-
motorisch stap uitvoeringsregels verschaft.
leerprogramma 2. Associatieve fase oorzaak-gevolg relaties worden ontdekt, perceptie en actie met elkaar
verbonden raken en de verschillende onderdelen van de beweging versmelten tot een totaal,
hierbij kot ook extrinsiek toegevoegde feedback.
3. Autonome fase verloopt de uitvoering van de beweging vanzelf, zonder bewuste aandacht
of sturing. De stap voor stap uitvoering is niet meer nodig
Manier van oefenen Geblokt oefenen : elke les 1 vaardigheid oefenen, lage contextuele interferentie
Serieel, lokaal geblokt : elke les 1 kwartier een vaardigheid en dat keer 4
Random oefenen : elke 5 minuten wisselen van vaardigheid, hoge contextuele interferentie
3
, MSA Samenvatting Blok B
CI-effect Contextuele-interferentie-effect beter uit kunnen voeren bij transfers bij meer
diversiteit in de oefeningen en les dit is ook een vorm van impliciet leren. Het is minder
effectief bij beginner dan bij ervaren sporters.
Traditioneel leren : de traditionele techniek aanleren zoals die het best is, dus bij iedereen
het zelfde.
Differentieel leren : verschillen in bewegingstechniek tussen individuele sporters beter is en
dus met unieke individuele kenmerken.
Proactieve kan opgevat kan worden als een conserverend mechanisme dat eenmaal verworven kennis en
inhibitie informatie beschermt tegen nieuwe kennis en informatie, ongeacht de vraag welke correct is en
welke incorrect. Het enige dat telt, is welke kennis en informatie als eerste werd verworven.
MSAe.V.4. X
Functioneel trainen Trainen van de doeltaak in de context van het patiënt specifieke einddoel, het evalueren van
je behandeling/behandeldoelen staat centraal waarvoor je verschillende klinimetrie kan
gebruiken.
Doelgericht werken Behandeldoelen opstellen en deze evalueren middel verschillende meetinstrumenten
Schoudergordel Het kan zo zijn dat er in de schoudergordel mechanische restrictie is bijv. ROM beperking in
restrictie / behandeling de wervelkolom of glenohumerale gewricht. Hierbij is het van belang dat je onthoud dat er
sprake is van mechaniek gerelateerde klachten en is een groot complex dat samen beweegt.
Hierbij is het dus van belang dat de mechanische restrictie opgeheven wordt en doen dit
met voorkeur conservatief (manuele mobilisatie of mobilisatie oefeningen ) of operatie bijv.
verwijdering benige structuur.
Hierbij is ook niet te vergeten dat de beweging samen gaat met spier-peesstelsel en
bijhorende neuronale netwerk. Dus als mobilisatie goed is kan het ook zo zijn dat het
bewegingsgedrag nog niet genormaliseerd is en dus nog aan neuromusculaire controle moet
werken.
Opbouw van oefeningen begin je vaak bij basis dus het spier- of bewegingsgevoel en vanuit
daar ga je vanuit deeltaken naar uiteindelijke doeltaak werken. Denk hierbij ook of je
impliciet of expliciet aan de slag gaat.
De scapula en clavicula spelen een belangrijke rol bij de energieoverdracht van de romp naar
de arm en vice versa. Een instabiel aangestuurde schoudergordel kan daarom tot grote
problemen in het schoudergewricht leiden.
Een tweetal spieren die hierin belangrijke aandacht verdienen in de revalidatie zijn de m.
serratus en de m. trapezius. Hierbij zal coördinatietraining van scapulothoracalae
spiergroepen dus van belang zijn.
Het trainen van coördinatie van de scapulothoracale spiergroepen kan een lastige
aangelegenheid zijn; het spiergevoel van scapulothoracale spieren is veel minder ontwikkeld
dan bijvoorbeeld de spieren van de hand en het is lastig om als patiënt visuele controle te
hebben over de bewegingen van de scapula. We hebben immers onvoldoende bereik met
onze visus…
4
Vaardigheidslessen MSA Extremiteiten
MSAe.V.1. X
Elementen behandeling wat is de hulpvraag
wat is reactiviteiten van de klacht
is beweging adaptief / maladaptief
welke structuur wil ik behandelen
hoe kan ik mijn behandeleffecten in kaart brengen
shared descision : overeenkomst behandelingtechnieken
welke rationale je hebt : welke technieken zet je wanneer uit
Retractie training Hierbij stabiliseer je de arm om de romp
Voorwaarde Hierbij wordt er gekeken naar mobiliteit en neuromusculaire controle dus de stabiliteit tijdens
bewegingen, een beweging.
normaliseren beweging
MSAe.V.2. X
Intermezzo meten Met doelgericht werken wordt bedoeld dat je na langer en korter termijn je resultaat gaat
behandeling korte evalueren. Dit kan je meetbaar maken bij mobiliteit d.m.v. stenver testen of een app waarbij
termijn ROM wordt gekeken.
Welke structuur Hoe weet je of je een spier of een kapsel aan het rekken ben, hierbij weet je vaak dat bij
mobiliseer je HOLDRELAX als je dan veel verder komt ben je vaak een spier aan het rekken. Gewrichtskapsel
is dus moeilijk te beïnvloeden denk hierbij ook aan een Frozen Shoulder dat je ondanks rekken
ook niet verder komt.
Regio’s mobilisatie - scapulothoracaal glijvlak
- glenonumerale gewricht
- cervicale wervelkolom
- thoracale wervelkolom
- AC-gewricht
- SC-gewricht
Mobiliteitsbeperkingen Artrose
Spieren
Kapsel weinig mobiliteit mogelijkheden
Vanuit brein mal-adaptief of adaptief gedrag aansturen
Mobilisatie na 1 week immobilisatie kunnen al contracturen van een gewricht ontstaan
MSAeV.3. X
Scapula onderzoek ROM + AROM
passieve anteflexie d.m.v. voorover buigen met loshangende armen waarbij er gekeken
word naar de beweging van de scapula. Hierbij kan je wellicht zien dat spieren ontspannen
en wel naar een bepaalde stand gebracht kan worden en bijv. een motor control probleem
is.
Anteflexie met gesloten keten bijv. squat met een stok
1
, MSA Samenvatting Blok B
Scapula behandeling Sommige beginnen functioneel en kijken of dit gaat
en of ze hierbij geholpen zijn en daarna eventueel
nog naar de basis gaan richting regionaal of lokaal.
Anderen beginnen ook weer vanuit de basis dus
lokaal en bouwen vanuit hier op. Hier zijn dus
verschillende visies op en is ook patiënt afhankelijk.
Lokaal
Uitgangshouding : zijlig op de bank en arm op halve rol en evt. met twee spiegels zodat
patiënt mee kan kijken , onderzoek zit ernaast en dit opbouwen naar zittend en evt. UHV bij
toevoegen.
- passief
- geleid actief
- actief
Intern : passief en geleid actief
Extern : naar oor en plafond, naar vinger die ergens aangewezen wordt, d.m.v. bal tussen de
scapula voor mediorotatie
Regionaal, deelbewegingen van problematisch handeling
Zij-lig op de grond d.m.v. bal rollen evt. tussen twee voorwerpen zodat je accent op elevatie
– depressie krijgt .
Intern/extern : zie hierboven
Armen bewegingen met rug tegen de muur
Zittend naast een hoge behandelbank waarbij leuning omhoog staat en zelfde oefeningen
als op de grond alleen komt hierbij nog spierkracht bij omdat de bal tussen de arm en bank
gehouden moet worden.
Staand bal tegen de muur
Patronen schetsen in de lucht
Hand aantikken
Met een stok over een lijn waarbij mediorotatie vermeden moet worden
Functioneel
Sport, activiteit gericht waarbij de bewegingen in zijn geheel uitgevoerd wordt.
Differentiatiemogelijkheden
Snelheid
Ogen open – dicht
Weerstand, zwaartekracht, geen weerstand
Liggend, zittend, staan, functioneel
Dubbeltaak
Passief – geleid actief -actief
Intern / extern
Motorisch leren een proces dat leidt tot relatieve duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg
2
, MSA Samenvatting Blok B
van specifieke ervaringen met de omgeving’. Motorisch leren zorgt voor veranderingen in het
vermogen om motorische taken of activiteiten uit te voeren. Als leidraad voor bruikbare
motorisch leertechnieken kun je de verschillende artikelen van Peter Beek gebruiken.
Old way new way gebaseerd op aannemelijke theoretisch principe en is gesteld op principe van proactieve
methode inhibitie en is oorspronkelijk uit de traditionele leerpsychologie. Heeft betrekking op de
onwillekeurig neiging nieuwe kennis of informatie te onderdrukken als die afwijkt van de kennis
of informatie waarover een individu al beschikt.
1. preperatiefase : zowel nieuwe als oude manier uitvoeren en daarbij verschil benoemen
2. Mediatiefase: patiënt geeft zelf actief aan tijdens het oefenen 5x
3. Toepassing : nieuwe vorm wordt veelvoudig herhaald, zoals in traditionele vormen
gebruikt wordt.
Impliciete Expliciete kennis : betrekking op feiten en regels waar we ons bewust van zijn en die we
kennisopbouw kunnen benoemen
Impliciete kennis : zaken die we kennen zonder te beseffen en daardoor ook niet kunnen
vewrwoorden ( tacit knowlede / stille kennis )
impliciete kennis is een vorm van analogieleren : en is aangetoond dat het leidt tot
leerresultaten die beter bestand zijn tegen de negatieve effecten van (mentale) druk
dan de met expliciet leren behaalde leerresultaten.
Anaologie : een omvattende enkelvoudige instructie over de uit te voeren beweging
waarin een groot aantal teakrelevante regels besloten ligt, zonder dat deze expliciet
benoemd worden of expliciet in het bewustzijn verschijnen.
voorkomt en verkleind chocking under pressure
Interne focus : knowledge of perfomance ( kennis van uitvoering ) / aandacht gericht op de
uitvoering van de bewegingen of op de mechanische en neurale processen (spierspanning
of verdelen van lichaamsgewicht over beide voeten )
Externe focus : knowledge of results ( kennis van resultaat ) / aandacht gericht op effect van
de bewegingen op de omgeving ( zwaaien van de racket stick of club locatie waarop de
vinger zit ).
meer en snellere reflexlussen
verhoogt effectiviteit + efficiëntie van beweging
vanuit wetenschap zeggen ze dat externe focus beter is
Is voornamelijk gericht op intern en extern
Drie-fasen-model van Stelt het leren van complexe bewegingen langs drie stadia gaat, die zich kenmerken door een
Fitts en Posner gaandeweg onafhankelijk worden van mentale processen en een steeds sterkere automatisering
van de bewegingsuitvoering.
kent de fasen van een 1. Cognitieve fase doorgronden van bewegingen of handelingen, wordt expliciet stap-voor-
motorisch stap uitvoeringsregels verschaft.
leerprogramma 2. Associatieve fase oorzaak-gevolg relaties worden ontdekt, perceptie en actie met elkaar
verbonden raken en de verschillende onderdelen van de beweging versmelten tot een totaal,
hierbij kot ook extrinsiek toegevoegde feedback.
3. Autonome fase verloopt de uitvoering van de beweging vanzelf, zonder bewuste aandacht
of sturing. De stap voor stap uitvoering is niet meer nodig
Manier van oefenen Geblokt oefenen : elke les 1 vaardigheid oefenen, lage contextuele interferentie
Serieel, lokaal geblokt : elke les 1 kwartier een vaardigheid en dat keer 4
Random oefenen : elke 5 minuten wisselen van vaardigheid, hoge contextuele interferentie
3
, MSA Samenvatting Blok B
CI-effect Contextuele-interferentie-effect beter uit kunnen voeren bij transfers bij meer
diversiteit in de oefeningen en les dit is ook een vorm van impliciet leren. Het is minder
effectief bij beginner dan bij ervaren sporters.
Traditioneel leren : de traditionele techniek aanleren zoals die het best is, dus bij iedereen
het zelfde.
Differentieel leren : verschillen in bewegingstechniek tussen individuele sporters beter is en
dus met unieke individuele kenmerken.
Proactieve kan opgevat kan worden als een conserverend mechanisme dat eenmaal verworven kennis en
inhibitie informatie beschermt tegen nieuwe kennis en informatie, ongeacht de vraag welke correct is en
welke incorrect. Het enige dat telt, is welke kennis en informatie als eerste werd verworven.
MSAe.V.4. X
Functioneel trainen Trainen van de doeltaak in de context van het patiënt specifieke einddoel, het evalueren van
je behandeling/behandeldoelen staat centraal waarvoor je verschillende klinimetrie kan
gebruiken.
Doelgericht werken Behandeldoelen opstellen en deze evalueren middel verschillende meetinstrumenten
Schoudergordel Het kan zo zijn dat er in de schoudergordel mechanische restrictie is bijv. ROM beperking in
restrictie / behandeling de wervelkolom of glenohumerale gewricht. Hierbij is het van belang dat je onthoud dat er
sprake is van mechaniek gerelateerde klachten en is een groot complex dat samen beweegt.
Hierbij is het dus van belang dat de mechanische restrictie opgeheven wordt en doen dit
met voorkeur conservatief (manuele mobilisatie of mobilisatie oefeningen ) of operatie bijv.
verwijdering benige structuur.
Hierbij is ook niet te vergeten dat de beweging samen gaat met spier-peesstelsel en
bijhorende neuronale netwerk. Dus als mobilisatie goed is kan het ook zo zijn dat het
bewegingsgedrag nog niet genormaliseerd is en dus nog aan neuromusculaire controle moet
werken.
Opbouw van oefeningen begin je vaak bij basis dus het spier- of bewegingsgevoel en vanuit
daar ga je vanuit deeltaken naar uiteindelijke doeltaak werken. Denk hierbij ook of je
impliciet of expliciet aan de slag gaat.
De scapula en clavicula spelen een belangrijke rol bij de energieoverdracht van de romp naar
de arm en vice versa. Een instabiel aangestuurde schoudergordel kan daarom tot grote
problemen in het schoudergewricht leiden.
Een tweetal spieren die hierin belangrijke aandacht verdienen in de revalidatie zijn de m.
serratus en de m. trapezius. Hierbij zal coördinatietraining van scapulothoracalae
spiergroepen dus van belang zijn.
Het trainen van coördinatie van de scapulothoracale spiergroepen kan een lastige
aangelegenheid zijn; het spiergevoel van scapulothoracale spieren is veel minder ontwikkeld
dan bijvoorbeeld de spieren van de hand en het is lastig om als patiënt visuele controle te
hebben over de bewegingen van de scapula. We hebben immers onvoldoende bereik met
onze visus…
4