Conceptanalyse
AUTONOMIE VAN CLIËNTEN
MET EEN VERSTANDELIJKE
BEPERKING
Met het inleveren van dit beroepsproduct verklaar ik, Alisha Hofman aan de Master Innovatie
in Zorg en Welzijn van de Hogeschool Utrecht, dat ik bij het schrijven van dit beroepsproduct,
geen plagiaat heb gepleegd en dat het beroepsproduct het resultaat is van mijn eigen werk
en verwoord is in mijn eigen woorden behoudens citaten. Daar waar het beroepsproduct
gebaseerd is op informatie dan wel ideeën uit een andere informatiebron zal ik die ander
recht doen door naar diens geraadpleegde werk te verwijzen. Tevens verklaar ik dat ik te
allen tijde verantwoordelijk blijf voor het bovenstaande.
Cursusnaam: Academische vaardigheden
Cursuscode: GVE-1.M-TETH-16
Naam student: Alisha Hofman
Studentnummer: 1754266
Inleverdatum: 05-11-2023
Opleiding: Master Innovatie in Zorg en Welzijn
Mentor: Winny Schuitemaker
Aantal woorden: 2990 woorden
,Samenvatting
Autonomie krijgt steeds meer bekendheid en rechtszekerheid binnen de gezondheidszorg
(Hendriks et al., 2008). Consensus mist met betrekking tot de definiëring van autonomie,
ondanks dat de literatuur over autonomie voor mensen met een verstandelijke beperking
toeneemt (Bjôrnsdóttir et al, 2014). Deze theorie wijst uit dat autonomie vele positieve
gevolgen heeft voor mensen met een verstandelijke beperking. Desondanks worden mensen
met een verstandelijke beperking frequent beperkt in hun autonomie.
Doel van de conceptanalyse was om ‘autonomie’ te definiëren voor mensen met een
verstandelijke beperking. Definiëring is belangrijk voor het voorkomen van willekeurig
geboden ondersteuning (Lindberg et al., 2014). De vraagstelling luidt daarom:
“Welke definiëring voor autonomie kan gehanteerd worden binnen de gehandicaptenzorg op
basis van literatuurstudie?”.
De conceptanalyse is gestructureerd aan de hand van de methode van Walker en Avant
(2014). Er is gebruik gemaakt van literatuurstudie via de databanken PubMed en Cinahl om
tot de definiëring te komen. Hierbij is gezocht naar de volgende trefwoorden: autonomy,
disability care, intellectual disability, developmental disability, mental deficiency en mental
retardation.
De definiëring is tot stand gekomen door de attributen van autonomie, die zijn gebleken uit
de literatuurstudie. Deze attributen zijn (keuze)vrijheid, het hebben van een bedoeling of
oogmerk, zelfverwerkelijking, zelfregulering, zelfbeschikking en zelfstandigheid. Echter, zijn
wilsbekwaamheid, geïnformeerde toestemming, kritisch redeneren, adequate ondersteuning,
kennis en respect vanuit de hulpverlener nodig om autonomie tot uiting te laten komen.
Het hebben van autonomie heeft ten gevolge dat het welzijn positief wordt beïnvloed, nieuwe
activiteiten worden geleerd, waaraan meer waarde en betrokkenheid wordt gehecht,
motivatie toeneemt, prestaties verbeteren en controle en vrijheid worden behouden.
Concluderend kan worden gesteld dat de definiëring van autonomie voor mensen met een
verstandelijke beperking als volgt kan worden geformuleerd:
“Autonomie is het hebben van (keuze)vrijheid, een bedoeling, zelfverwerkelijking,
zelfregulering, zelfbeschikking en zelfstandigheid. Hiervoor is nodig dat de persoon
wilsbekwaam en onderling onafhankelijk is, kritisch kan redeneren, adequaat ondersteund
wordt, kennis en respect verkrijgt, waarbij sprake is van geïnformeerde toestemming.”
1
, Inhoudsopgave
SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 1
1. INLEIDING............................................................................................................................................... 3
2. METHODE............................................................................................................................................... 4
2.1 ONDERZOEKSTYPE ............................................................................................................................................... 4
2.2 ONDERZOEKSMETHODE ........................................................................................................................................ 4
2.3 ZOEKPROCES ...................................................................................................................................................... 5
2.4 SELECTIEPROCES ................................................................................................................................................. 6
2.5 DATA EXTRACTIE ................................................................................................................................................. 7
3. RESULTATEN ........................................................................................................................................... 7
3.1 GEBRUIKSWIJZEN ................................................................................................................................................ 8
3.2 ATTRIBUTEN ....................................................................................................................................................... 9
3.3 CASUÏSTIEK ...................................................................................................................................................... 11
3.4 ANTECEDENTEN ................................................................................................................................................ 13
3.5 CONSEQUENTIES ............................................................................................................................................... 14
3.6 EMPIRISCHE REFERENTIES ................................................................................................................................... 15
DISCUSSIE ................................................................................................................................................ 16
INHOUD ................................................................................................................................................................ 16
METHODOLOGISCHE STERKTE- EN ZWAKKE PUNTEN ....................................................................................................... 16
VALIDITEIT, BETROUWBAARHEID EN GENERALISEERBAARHEID .......................................................................................... 17
IMPLICATIES VOOR DE PRAKTIJK ................................................................................................................................. 18
CONCLUSIE ............................................................................................................................................... 18
REFERENTIELIJST....................................................................................................................................... 19
BIJLAGEN ................................................................................................................................................. 23
BIJLAGE A: GROEPEERSCHEMA .................................................................................................................................. 23
BIJLAGE B: VERSLAG LEERRENDEMENT ........................................................................................................................ 25
BIJLAGE C: PEER BEOORDELING 1............................................................................................................................... 25
BIJLAGE D: PEER BEOORDELING 2 .............................................................................................................................. 25
2
AUTONOMIE VAN CLIËNTEN
MET EEN VERSTANDELIJKE
BEPERKING
Met het inleveren van dit beroepsproduct verklaar ik, Alisha Hofman aan de Master Innovatie
in Zorg en Welzijn van de Hogeschool Utrecht, dat ik bij het schrijven van dit beroepsproduct,
geen plagiaat heb gepleegd en dat het beroepsproduct het resultaat is van mijn eigen werk
en verwoord is in mijn eigen woorden behoudens citaten. Daar waar het beroepsproduct
gebaseerd is op informatie dan wel ideeën uit een andere informatiebron zal ik die ander
recht doen door naar diens geraadpleegde werk te verwijzen. Tevens verklaar ik dat ik te
allen tijde verantwoordelijk blijf voor het bovenstaande.
Cursusnaam: Academische vaardigheden
Cursuscode: GVE-1.M-TETH-16
Naam student: Alisha Hofman
Studentnummer: 1754266
Inleverdatum: 05-11-2023
Opleiding: Master Innovatie in Zorg en Welzijn
Mentor: Winny Schuitemaker
Aantal woorden: 2990 woorden
,Samenvatting
Autonomie krijgt steeds meer bekendheid en rechtszekerheid binnen de gezondheidszorg
(Hendriks et al., 2008). Consensus mist met betrekking tot de definiëring van autonomie,
ondanks dat de literatuur over autonomie voor mensen met een verstandelijke beperking
toeneemt (Bjôrnsdóttir et al, 2014). Deze theorie wijst uit dat autonomie vele positieve
gevolgen heeft voor mensen met een verstandelijke beperking. Desondanks worden mensen
met een verstandelijke beperking frequent beperkt in hun autonomie.
Doel van de conceptanalyse was om ‘autonomie’ te definiëren voor mensen met een
verstandelijke beperking. Definiëring is belangrijk voor het voorkomen van willekeurig
geboden ondersteuning (Lindberg et al., 2014). De vraagstelling luidt daarom:
“Welke definiëring voor autonomie kan gehanteerd worden binnen de gehandicaptenzorg op
basis van literatuurstudie?”.
De conceptanalyse is gestructureerd aan de hand van de methode van Walker en Avant
(2014). Er is gebruik gemaakt van literatuurstudie via de databanken PubMed en Cinahl om
tot de definiëring te komen. Hierbij is gezocht naar de volgende trefwoorden: autonomy,
disability care, intellectual disability, developmental disability, mental deficiency en mental
retardation.
De definiëring is tot stand gekomen door de attributen van autonomie, die zijn gebleken uit
de literatuurstudie. Deze attributen zijn (keuze)vrijheid, het hebben van een bedoeling of
oogmerk, zelfverwerkelijking, zelfregulering, zelfbeschikking en zelfstandigheid. Echter, zijn
wilsbekwaamheid, geïnformeerde toestemming, kritisch redeneren, adequate ondersteuning,
kennis en respect vanuit de hulpverlener nodig om autonomie tot uiting te laten komen.
Het hebben van autonomie heeft ten gevolge dat het welzijn positief wordt beïnvloed, nieuwe
activiteiten worden geleerd, waaraan meer waarde en betrokkenheid wordt gehecht,
motivatie toeneemt, prestaties verbeteren en controle en vrijheid worden behouden.
Concluderend kan worden gesteld dat de definiëring van autonomie voor mensen met een
verstandelijke beperking als volgt kan worden geformuleerd:
“Autonomie is het hebben van (keuze)vrijheid, een bedoeling, zelfverwerkelijking,
zelfregulering, zelfbeschikking en zelfstandigheid. Hiervoor is nodig dat de persoon
wilsbekwaam en onderling onafhankelijk is, kritisch kan redeneren, adequaat ondersteund
wordt, kennis en respect verkrijgt, waarbij sprake is van geïnformeerde toestemming.”
1
, Inhoudsopgave
SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 1
1. INLEIDING............................................................................................................................................... 3
2. METHODE............................................................................................................................................... 4
2.1 ONDERZOEKSTYPE ............................................................................................................................................... 4
2.2 ONDERZOEKSMETHODE ........................................................................................................................................ 4
2.3 ZOEKPROCES ...................................................................................................................................................... 5
2.4 SELECTIEPROCES ................................................................................................................................................. 6
2.5 DATA EXTRACTIE ................................................................................................................................................. 7
3. RESULTATEN ........................................................................................................................................... 7
3.1 GEBRUIKSWIJZEN ................................................................................................................................................ 8
3.2 ATTRIBUTEN ....................................................................................................................................................... 9
3.3 CASUÏSTIEK ...................................................................................................................................................... 11
3.4 ANTECEDENTEN ................................................................................................................................................ 13
3.5 CONSEQUENTIES ............................................................................................................................................... 14
3.6 EMPIRISCHE REFERENTIES ................................................................................................................................... 15
DISCUSSIE ................................................................................................................................................ 16
INHOUD ................................................................................................................................................................ 16
METHODOLOGISCHE STERKTE- EN ZWAKKE PUNTEN ....................................................................................................... 16
VALIDITEIT, BETROUWBAARHEID EN GENERALISEERBAARHEID .......................................................................................... 17
IMPLICATIES VOOR DE PRAKTIJK ................................................................................................................................. 18
CONCLUSIE ............................................................................................................................................... 18
REFERENTIELIJST....................................................................................................................................... 19
BIJLAGEN ................................................................................................................................................. 23
BIJLAGE A: GROEPEERSCHEMA .................................................................................................................................. 23
BIJLAGE B: VERSLAG LEERRENDEMENT ........................................................................................................................ 25
BIJLAGE C: PEER BEOORDELING 1............................................................................................................................... 25
BIJLAGE D: PEER BEOORDELING 2 .............................................................................................................................. 25
2