KLINISCH REDENEREN & KRITISCH DENKEN
INHOUD
Klinisch redeneren & kritisch denken .................................................................................................................. 1
Lesdoelen klinisch redeneren .......................................................................................................................... 2
Klinisch redeneren – positieve gezondheid...................................................................................................... 4
Klinisch redeneren – Canmeds-rollen .............................................................................................................. 6
Klinisch redeneren – geschiedenis ................................................................................................................... 7
klinisch redeneren – werkveld ......................................................................................................................... 8
klinisch redeneren – verpleegkundig proces .................................................................................................... 9
klinisch redeneren – klinisch redeneren ........................................................................................................ 10
klinisch redeneren – zelfmanagement ........................................................................................................... 12
klinisch redeneren – kwetsbare ouderen....................................................................................................... 14
klinisch redeneren – lichaamstemperatuur en ademhaling ........................................................................... 19
klinisch redeneren – verpleegkundig dossier ................................................................................................. 21
Klinisch redeneren – bijlagen ........................................................................................................................ 26
, LESDOELEN KLINISCH REDENEREN
• Je kunt benoemen wat het concept van positieve gezondheid inhoudt (Huber, 2011) en wat de zes
dimensies van positieve gezondheid inhouden.
• Je kunt het scoringsinstrument ‘Positieve gezondheid’ toepassen om de eigen gezondheid in kaart
te brengen.
• Je kunt de competentiegebieden (CanMEDS-rollen) van de hbo-verpleegkundige benoemen.
• Je kunt verpleegkundige activiteiten uit een casus herkennen en ze toewijzen aan de CanMEDS-
rollen zorgverlener, communicator en gezondheidsbevorderaar.
• Je kunt omschrijven hoe het verpleegkundig beroep tot stand is gekomen (geschiedenis).
• Je kunt benoemen wat het werkveld van de verpleegkundige omvat.
• Je kunt kenmerken van het beroep van de verpleegkundige benoemen.
• Je kunt beschrijven wat de kern van verplegen is, zoals beschreven in BN2020.
• Je kunt beschrijven en benoemen wat het verpleegkundig proces is en uit welke fasen het bestaat.
• Je kunt verwoorden waarom klinisch redeneren binnen het verpleegkundig proces van belang is.
• Je kunt verwoorden hoe de stappen van het klinisch redeneren zich verhouden tot het
verpleegkundig proces.
• Je kunt de verschillende gezondheidspatronen van Gordon benoemen en kan deze toepassen aan
de hand van een casus.
• Je kunt de rol van de anamnese binnen het verpleegkundig proces uitleggen.
• Je kunt verwoorden wat verpleegkundige observaties zijn en hoe de verpleegkundige observeert.
• Je kunt benoemen hoe de gezondheidspatronen van Gordon bij het uitvoeren van de anamnese
gebruikt worden.
• Je kunt de vier basisvragen van het klinisch redeneren benoemen en beschrijven.
• Je kunt benoemen wat de proceswerkbladen diagnostisch en etiologisch redeneren inhouden.
• Je kunt de proceswerkbladen diagnostisch en etiologisch redeneren invullen op basis van een
situatie beschreven in de casus om te komen tot verpleegkundige diagnostiek.
• Je kunt benoemen wat een actueel en potentieel patiëntenprobleem is.
• Je kunt benoemen hoe deze twee soorten patiëntenproblemen verwerkt worden in de
diagnostische fase.
• Je kunt benoemen hoe de kernset patiëntenproblemen gebruikt wordt in de diagnostische fase.
• Je kunt aangeven wat de PES en PR structuren inhouden.
• Je kunt een verpleegkundige diagnose formuleren.
• Je kunt verwoorden wat zelfmanagement versterken inhoudt.
• Je kunt verwoorden hoe je het versterken van zelfmanagement kunt toepassen.
• Je kunt de verzamelde gegevens uit een anamnese gesprek (en casus) ordenen in de patronen van
Gordon.
• Je kunt je voorbereiden op een anamnesegesprek, je kunt verwoorden welke vragen je zou kunnen
stellen in een anamnesegesprek.
• Je kunt de relatie tussen anamnese en zelfredzaamheid benoemen en je kunt instrumenten
toepassen om de zelfredzaamheid in kaart te brengen.
• Je kunt het begrip ‘shared decision’ uitleggen en je kunt het belang hiervan weergeven in relatie
tot het verpleegkundig proces (ook anamnese).
• Je kunt het begin van een verpleegplan opstellen.
• Je kunt benoemen wat het begrip kwetsbare ouderen betekent en wat het inhoudt.
• Je kunt benoemen hoe je zorgvragers met risico op vallen signaleert en welke maatregelen
geschikt zijn om vallen te voorkomen.
2
INHOUD
Klinisch redeneren & kritisch denken .................................................................................................................. 1
Lesdoelen klinisch redeneren .......................................................................................................................... 2
Klinisch redeneren – positieve gezondheid...................................................................................................... 4
Klinisch redeneren – Canmeds-rollen .............................................................................................................. 6
Klinisch redeneren – geschiedenis ................................................................................................................... 7
klinisch redeneren – werkveld ......................................................................................................................... 8
klinisch redeneren – verpleegkundig proces .................................................................................................... 9
klinisch redeneren – klinisch redeneren ........................................................................................................ 10
klinisch redeneren – zelfmanagement ........................................................................................................... 12
klinisch redeneren – kwetsbare ouderen....................................................................................................... 14
klinisch redeneren – lichaamstemperatuur en ademhaling ........................................................................... 19
klinisch redeneren – verpleegkundig dossier ................................................................................................. 21
Klinisch redeneren – bijlagen ........................................................................................................................ 26
, LESDOELEN KLINISCH REDENEREN
• Je kunt benoemen wat het concept van positieve gezondheid inhoudt (Huber, 2011) en wat de zes
dimensies van positieve gezondheid inhouden.
• Je kunt het scoringsinstrument ‘Positieve gezondheid’ toepassen om de eigen gezondheid in kaart
te brengen.
• Je kunt de competentiegebieden (CanMEDS-rollen) van de hbo-verpleegkundige benoemen.
• Je kunt verpleegkundige activiteiten uit een casus herkennen en ze toewijzen aan de CanMEDS-
rollen zorgverlener, communicator en gezondheidsbevorderaar.
• Je kunt omschrijven hoe het verpleegkundig beroep tot stand is gekomen (geschiedenis).
• Je kunt benoemen wat het werkveld van de verpleegkundige omvat.
• Je kunt kenmerken van het beroep van de verpleegkundige benoemen.
• Je kunt beschrijven wat de kern van verplegen is, zoals beschreven in BN2020.
• Je kunt beschrijven en benoemen wat het verpleegkundig proces is en uit welke fasen het bestaat.
• Je kunt verwoorden waarom klinisch redeneren binnen het verpleegkundig proces van belang is.
• Je kunt verwoorden hoe de stappen van het klinisch redeneren zich verhouden tot het
verpleegkundig proces.
• Je kunt de verschillende gezondheidspatronen van Gordon benoemen en kan deze toepassen aan
de hand van een casus.
• Je kunt de rol van de anamnese binnen het verpleegkundig proces uitleggen.
• Je kunt verwoorden wat verpleegkundige observaties zijn en hoe de verpleegkundige observeert.
• Je kunt benoemen hoe de gezondheidspatronen van Gordon bij het uitvoeren van de anamnese
gebruikt worden.
• Je kunt de vier basisvragen van het klinisch redeneren benoemen en beschrijven.
• Je kunt benoemen wat de proceswerkbladen diagnostisch en etiologisch redeneren inhouden.
• Je kunt de proceswerkbladen diagnostisch en etiologisch redeneren invullen op basis van een
situatie beschreven in de casus om te komen tot verpleegkundige diagnostiek.
• Je kunt benoemen wat een actueel en potentieel patiëntenprobleem is.
• Je kunt benoemen hoe deze twee soorten patiëntenproblemen verwerkt worden in de
diagnostische fase.
• Je kunt benoemen hoe de kernset patiëntenproblemen gebruikt wordt in de diagnostische fase.
• Je kunt aangeven wat de PES en PR structuren inhouden.
• Je kunt een verpleegkundige diagnose formuleren.
• Je kunt verwoorden wat zelfmanagement versterken inhoudt.
• Je kunt verwoorden hoe je het versterken van zelfmanagement kunt toepassen.
• Je kunt de verzamelde gegevens uit een anamnese gesprek (en casus) ordenen in de patronen van
Gordon.
• Je kunt je voorbereiden op een anamnesegesprek, je kunt verwoorden welke vragen je zou kunnen
stellen in een anamnesegesprek.
• Je kunt de relatie tussen anamnese en zelfredzaamheid benoemen en je kunt instrumenten
toepassen om de zelfredzaamheid in kaart te brengen.
• Je kunt het begrip ‘shared decision’ uitleggen en je kunt het belang hiervan weergeven in relatie
tot het verpleegkundig proces (ook anamnese).
• Je kunt het begin van een verpleegplan opstellen.
• Je kunt benoemen wat het begrip kwetsbare ouderen betekent en wat het inhoudt.
• Je kunt benoemen hoe je zorgvragers met risico op vallen signaleert en welke maatregelen
geschikt zijn om vallen te voorkomen.
2