Textiel chemie
Les 1
Atoom
Alle materie is gemaakt van atomen. Het model van Bohr laat zien dat er 3 verschillende deeltjes in
het atoom zitten.
- Proton, positief geladen
- Elektron, negatief geladen
Beweegt in een orbitaal buiten de kern
- Neutron, neutraal geladen
Het proton en neutron zitten in de kern. Nu hebben ze massa’s en dit wordt vertegenwoordigd door
een eenheid genaamd Atomic Mass Unit (AMU). Het elektron heeft daarentegen bijna geen massa.
Atomen zijn elektrisch neutraal.
Op de afbeelding hieronder zie je dat de elektronen om de kern (proton en neutron) heen bewegen.
Figuur 1. Model van Bohr
Alle elementen die we in de natuur vinden, hebben we een verschillend aantal protonen.
Atoomnummer (Z) = Het aantal protonen in een atoom
Massagetal (A) = Het aantal protonen + aantal neutronen
Het getal bovenin is het massagetal en het getal onderin is het atoomnummer.
AMU: de eenheid van massagetal en atoomnummer.
Je kunt het aantal neutronen in een element berekenen door het aantal protonen (atoomnummer) af
te trekken van het massagetal.
Neutronen = Atoomnummer – massagetal
Periodiek systeem
Hierin zijn de elementen gerangschikt op basis van hun atoomnummer. De kolommen tonen families
van bepaalde soorten elementen. (kennen voor tentamen: kolom 1, 2 en 13 t/m 18)
,Molecuul
Een molecuul is een groep van 2 of meer atomen. Het is het kleinste deeltje van een stof dat nog de
eigenschappen van een stof heeft.
Moleculen worden 3D weergegeven (ball and stick-model)
In een molecuulformule kun je het aantal samenstellende atomen zien.
Azijnzuur: CH3COOH: 4 atomen van H, 2 atomen van O, 2 atomen van C.
Ionen
Ionen zijn atomen die niet elektrisch neutraal zijn.
- Kation
Een atoom waarin 1 elektron minder is dan het aantal protonen. Het krijgt een positieve
lading.
- Anion
Een atoom waarin er 1 elektron meer is dan het aantal protonen. Het krijgt een negatieve
lading.
, Wanneer je zulke ionen in een systeem plaatst, ontstaat er een elektrische aantrekkingskracht tussen
de positief en negatief geladen deeltjes. Het resultaat hiervan is een ionische binding of ion binding.
Isotopen
Isotopen zijn elementen waarin het aantal protonen hetzelfde is (gelijk atoomnummer), maar het
aantal neutronen zijn anders. Er zijn 3 verschillende soorten isotopen van waterstof. Koolstof heeft
ook 3 isotopen:
- Koolstof 12
- Koolstof 13
- Koolstof 14
Als je het massagetal van de isotopen krijgt, zou je het aantal neutronen moeten kunnen berekenen.
Volgens het model van Bohr draaien elektronen in schillen rond het atoom.
- De eerste schil draagt altijd 2 elektronen.
- De tweede schil draagt maximaal 8 elektronen.
- De derde ook 8, enzovoort.
Deze regel geldt tot atoomnummer 20.
Door het atoomnummer te kennen, kun je eenvoudig het aantal elektronen in de buitenste schil
berekenen.
Voorbeeld: Natrium (atoomnummer 11)
De eerste schil: 2 elektronen
De tweede schil: 8 elektronen
De derde schil: 1 elektron
Kolom 1 (alkalimetalen): Alle elementen hebben 1 elektron in de buitenste schil.
Kolom 2 (aardalkalimetalen): Alle elementen hebben 2 elektronen in de buitenste schil.
Kolom 17 (halogeenfamilie): Alle elementen hebben 7 elektronen in de buitenste schil.
Edelgassen (kolom 18) hebben allemaal 8 elektronen in de buitenste schil (behalve helium, die heeft
er maar 2 omdat het 1 schil heeft). Edelgassen zijn dus stabiel en niet reactief, omdat hun schillen
compleet zijn en daardoor niet de behoefte hebben om elektronen te verliezen of te winnen.
Les 1
Atoom
Alle materie is gemaakt van atomen. Het model van Bohr laat zien dat er 3 verschillende deeltjes in
het atoom zitten.
- Proton, positief geladen
- Elektron, negatief geladen
Beweegt in een orbitaal buiten de kern
- Neutron, neutraal geladen
Het proton en neutron zitten in de kern. Nu hebben ze massa’s en dit wordt vertegenwoordigd door
een eenheid genaamd Atomic Mass Unit (AMU). Het elektron heeft daarentegen bijna geen massa.
Atomen zijn elektrisch neutraal.
Op de afbeelding hieronder zie je dat de elektronen om de kern (proton en neutron) heen bewegen.
Figuur 1. Model van Bohr
Alle elementen die we in de natuur vinden, hebben we een verschillend aantal protonen.
Atoomnummer (Z) = Het aantal protonen in een atoom
Massagetal (A) = Het aantal protonen + aantal neutronen
Het getal bovenin is het massagetal en het getal onderin is het atoomnummer.
AMU: de eenheid van massagetal en atoomnummer.
Je kunt het aantal neutronen in een element berekenen door het aantal protonen (atoomnummer) af
te trekken van het massagetal.
Neutronen = Atoomnummer – massagetal
Periodiek systeem
Hierin zijn de elementen gerangschikt op basis van hun atoomnummer. De kolommen tonen families
van bepaalde soorten elementen. (kennen voor tentamen: kolom 1, 2 en 13 t/m 18)
,Molecuul
Een molecuul is een groep van 2 of meer atomen. Het is het kleinste deeltje van een stof dat nog de
eigenschappen van een stof heeft.
Moleculen worden 3D weergegeven (ball and stick-model)
In een molecuulformule kun je het aantal samenstellende atomen zien.
Azijnzuur: CH3COOH: 4 atomen van H, 2 atomen van O, 2 atomen van C.
Ionen
Ionen zijn atomen die niet elektrisch neutraal zijn.
- Kation
Een atoom waarin 1 elektron minder is dan het aantal protonen. Het krijgt een positieve
lading.
- Anion
Een atoom waarin er 1 elektron meer is dan het aantal protonen. Het krijgt een negatieve
lading.
, Wanneer je zulke ionen in een systeem plaatst, ontstaat er een elektrische aantrekkingskracht tussen
de positief en negatief geladen deeltjes. Het resultaat hiervan is een ionische binding of ion binding.
Isotopen
Isotopen zijn elementen waarin het aantal protonen hetzelfde is (gelijk atoomnummer), maar het
aantal neutronen zijn anders. Er zijn 3 verschillende soorten isotopen van waterstof. Koolstof heeft
ook 3 isotopen:
- Koolstof 12
- Koolstof 13
- Koolstof 14
Als je het massagetal van de isotopen krijgt, zou je het aantal neutronen moeten kunnen berekenen.
Volgens het model van Bohr draaien elektronen in schillen rond het atoom.
- De eerste schil draagt altijd 2 elektronen.
- De tweede schil draagt maximaal 8 elektronen.
- De derde ook 8, enzovoort.
Deze regel geldt tot atoomnummer 20.
Door het atoomnummer te kennen, kun je eenvoudig het aantal elektronen in de buitenste schil
berekenen.
Voorbeeld: Natrium (atoomnummer 11)
De eerste schil: 2 elektronen
De tweede schil: 8 elektronen
De derde schil: 1 elektron
Kolom 1 (alkalimetalen): Alle elementen hebben 1 elektron in de buitenste schil.
Kolom 2 (aardalkalimetalen): Alle elementen hebben 2 elektronen in de buitenste schil.
Kolom 17 (halogeenfamilie): Alle elementen hebben 7 elektronen in de buitenste schil.
Edelgassen (kolom 18) hebben allemaal 8 elektronen in de buitenste schil (behalve helium, die heeft
er maar 2 omdat het 1 schil heeft). Edelgassen zijn dus stabiel en niet reactief, omdat hun schillen
compleet zijn en daardoor niet de behoefte hebben om elektronen te verliezen of te winnen.