CGO
De student kan de verschillende fasen van de zwangerschap en de bevalling benoemen met
kenmerkende aspecten.
Na 6-8 weken is de organogenese grotendeels voltooid en spreken we van een foetus.
Aan het eind van de 12e zwangerschapsweek weegt de foetus zo’n 14 gram en is ongeveer 9 cm lang. In
deze periode wordt ook de eerste echo uitgevoerd.
De resterende 28 weken van de zwangerschap dient voor de groei, rijping en onderlinge afstemming
van alle organen.
Na 16 weken is de groei van de foetus uitwendig te volgen. Tevens is hier de groei van de placenta
volledig voltooid.
Op 22 weken staat de fundus (de hoogte van de baarmoeder) op navelhoogte, na 32 weken
halverwege de navel en de onderkant van het borstbeen en na 36 weken tot aan de ribbenboog.
Een bevalling kan op twee manieren beginnen: met weeënactiviteit (merendeel van de bevallingen) of
met het breken van de vliezen. Bij een vrouw die voor het eerst een kind baart duurt deze fase langer
dan bij een vrouw die al meerdere kinderen heeft gebaard.
De uitdrijvingsfase, hier begint het persen. Tijdens deze fase maakt het kind een inwendige en
uitwendige draaiing, zodat deze op de gemakkelijkste manier ter wereld komt.
Het nageboortetijdperk, hierin worden de vliezen en de placenta “geboren”.
Het postplacentaire tijdperk, hierin word alles gecontroleerd.
De student kan beschermende factoren en risicofactoren (en risicogedrag) voor a.s. moeder en kind
benoemen.
De student heeft theoretische kennis over zwangerschap en de voorbereiding op de bevalling.
De student kan het zorgsysteem rondom zwangerschap en bevalling benoemen.
De JGZ verzorgt informatie, advies, huisbezoeken en/of cursussen/ groepsbijeenkomsten en zo nodig
verwijs naar verdere hulpverlening.
Verloskundige zorg, prenatale screening, chorionvillusbiopsie (vlokkentest), amniocentese
(vruchtwaterpunctie), echoscopie (echo), fysiotherapeut/ zwangerschapsdocent.
Begeleiding tijdens de bevalling, ondersteuning bij het opvangen van de weeën, het normaal eten en
drinken en naar het toilet gaan, houding, beweging, pijnbegeleiding, onderzoek pasgeborenen.
, CoVa
De student heeft zicht gekregen op de manier waarop mensen elkaars boodschap begrijpen.
De student heeft geleerd dat er vier mogelijke betekenislagen zitten in elke boodschap: inhoud,
expressief, relationeel en appèlerend (ERA) en kan je hiermee spelen.
Inhoud: Feitelijke informatie. Gegevens, feiten en verbanden.
Expressief: Dit verteld iets over de zender.
Relationeel: Wat de zender van de ontvanger vindt.
Appèlerend (ERA): Dit geeft aan wat de zender bij de ontvanger wil bereiken.
De student heeft kennisgemaakt met de werking van lichaamstaal.
De student heeft door het werken met de Roos van Leary inzicht gekregen in patronen van interactie
tussen mensen en weet je hoe je deze kan beïnvloeden.
De student kan de verschillende fasen van de zwangerschap en de bevalling benoemen met
kenmerkende aspecten.
Na 6-8 weken is de organogenese grotendeels voltooid en spreken we van een foetus.
Aan het eind van de 12e zwangerschapsweek weegt de foetus zo’n 14 gram en is ongeveer 9 cm lang. In
deze periode wordt ook de eerste echo uitgevoerd.
De resterende 28 weken van de zwangerschap dient voor de groei, rijping en onderlinge afstemming
van alle organen.
Na 16 weken is de groei van de foetus uitwendig te volgen. Tevens is hier de groei van de placenta
volledig voltooid.
Op 22 weken staat de fundus (de hoogte van de baarmoeder) op navelhoogte, na 32 weken
halverwege de navel en de onderkant van het borstbeen en na 36 weken tot aan de ribbenboog.
Een bevalling kan op twee manieren beginnen: met weeënactiviteit (merendeel van de bevallingen) of
met het breken van de vliezen. Bij een vrouw die voor het eerst een kind baart duurt deze fase langer
dan bij een vrouw die al meerdere kinderen heeft gebaard.
De uitdrijvingsfase, hier begint het persen. Tijdens deze fase maakt het kind een inwendige en
uitwendige draaiing, zodat deze op de gemakkelijkste manier ter wereld komt.
Het nageboortetijdperk, hierin worden de vliezen en de placenta “geboren”.
Het postplacentaire tijdperk, hierin word alles gecontroleerd.
De student kan beschermende factoren en risicofactoren (en risicogedrag) voor a.s. moeder en kind
benoemen.
De student heeft theoretische kennis over zwangerschap en de voorbereiding op de bevalling.
De student kan het zorgsysteem rondom zwangerschap en bevalling benoemen.
De JGZ verzorgt informatie, advies, huisbezoeken en/of cursussen/ groepsbijeenkomsten en zo nodig
verwijs naar verdere hulpverlening.
Verloskundige zorg, prenatale screening, chorionvillusbiopsie (vlokkentest), amniocentese
(vruchtwaterpunctie), echoscopie (echo), fysiotherapeut/ zwangerschapsdocent.
Begeleiding tijdens de bevalling, ondersteuning bij het opvangen van de weeën, het normaal eten en
drinken en naar het toilet gaan, houding, beweging, pijnbegeleiding, onderzoek pasgeborenen.
, CoVa
De student heeft zicht gekregen op de manier waarop mensen elkaars boodschap begrijpen.
De student heeft geleerd dat er vier mogelijke betekenislagen zitten in elke boodschap: inhoud,
expressief, relationeel en appèlerend (ERA) en kan je hiermee spelen.
Inhoud: Feitelijke informatie. Gegevens, feiten en verbanden.
Expressief: Dit verteld iets over de zender.
Relationeel: Wat de zender van de ontvanger vindt.
Appèlerend (ERA): Dit geeft aan wat de zender bij de ontvanger wil bereiken.
De student heeft kennisgemaakt met de werking van lichaamstaal.
De student heeft door het werken met de Roos van Leary inzicht gekregen in patronen van interactie
tussen mensen en weet je hoe je deze kan beïnvloeden.