5 HAVO
UITWERKINGEN
Auteurs
Aonne Kerkstra
Tessa Lodewijks
Toon de Valk
Eindredactie
Aonne Kerkstra
,Eerste editie
Malmberg ’s-Hertogenbosch
www.nova-malmberg.nl
, Inhoud
7 Zuren en basen 3 10 Chemie van het leven 37
Praktijk Praktijk
Chemie in het aquarium 3 Voedseltransport in het lichaam 37
Fosfor voor cola en kunstmest 4 Suiker als energieboost 38
Theorie Theorie
1 Zure, basische en neutrale oplossingen 5 1 Voeding 39
2 Zuren en zure oplossingen 6 2 Vetten en oliën 40
3 pH-berekening van zure oplossingen 7 3 Koolhydraten 41
4 Basen en basische oplossingen 8 4 Eiwitten 42
5 pH-berekening van basische 5 Giftige stoffen 43
oplossingen 9
6 Zuur-basereacties 10
7 Zuren en basen in het milieu 11 11 Groenere industrie 45
8 Gehaltebepaling met een zuur-
basereactie 12 Praktijk
Medicijnen uit planten 45
Microreactoren 47
8 Redoxreacties 14
Theorie
Praktijk 1 Productieprocessen 48
Aluminium recyclen 14 2 Van grondstof tot product 49
Batterijen voor je smartphone 15 3 Kosten 51
4 Groene productieprocessen 52
Theorie 5 Biobrandstoffen 54
1 Reacties met elektronenoverdracht 17
2 Redoxreacties 18
3 Energie uit redoxreacties 20
4 Bescherming van metalen 22
5 Gehaltebepaling met een
redoxreactie 24
9 Polymeren 26
Praktijk
Kevlar® 26
De 3D-printer 27
Theorie
1 Kunststoffen 28
2 Polyalkenen en rubber 29
3 Esters 29
4 Polyesters en polyamiden 30
5 Kunststof verwerken 31
6 Bioplastics 32
7 Bijzondere polymeren 33
8 Kunststoffen hergebruiken 34
9 Technisch ontwerpen 36
3
, Uitwerkingen Hoofdstuk 7
7 Zuren en basen
Praktijk Chemie in het aquarium
vragen
1 de uitwerpselen van de vissen
2 a ammoniak, nitraationen en nitrietionen
b De vissen produceren zelf ook stikstof.
c Ammoniak wordt omgezet in nitriet en nitriet daarna in nitraat.
3 a 2 NH3(aq) + 3 O2(aq) → 2 HNO2(aq) + 2 H2O(l)
b 2 HNO2(aq) + O2(aq) → 2 H+(aq) + 2 NO3−(aq)
c Er ontstaan H+(aq)-ionen waardoor de pH daalt.
4 a de combinatie van HCO3− en CO2
b Hoeveel de zuur-basecombinatie kan opvangen zonder dat de pH-waarde sterk verandert.
c Als extra zuur ontstaat, wordt dat weggenomen door de reactie met de base HCO3−. Als extra base
ontstaat, wordt die weggenomen door de reactie met opgelost CO2 (zuur).
5 Bij een hogere temperatuur lost er minder zuurstof op en kunnen de vissen minder zuurstof uit het water
opnemen.
6 a met behulp van een refractometer
b Hoe meer zout er opgelost is, des te sterker worden de lichtstralen in een refractometer afgebogen.
c 35 promille betekent 35 g per kg zeewater. De dichtheid van zeewater is 1,024·103 kg m−3, dus 200 m3
zeewater heeft een massa van 205 kg. Dan is nodig: 35 205 = 7,2·103 kg zout.
toepassing
7 a 6 CO2(g) + 6 H2O(l) → C6H12O6(aq) + 6 O2(g)
b Onder I wordt CO2 omgezet en onder II wordt het weer gevormd. Voor de omzetting van CO2 is
(kennelijk) (zon)licht nodig; de vorming van CO2 kan (kennelijk) in het donker plaatsvinden.
14,01
c massapercentage N in NH is: + 18,04 100% = 77,65%
4
d NH + 2 O2 → 2 H + NO3− + H2O
4
+ +
e Er ontstaan extra H+-ionen en bovendien ontstaat er een sterk zure oplossing uit een zwak zuur.
f Als de pH stijgt, wordt de oplossing minder zuur/basischer; er verdwijnt H+ door de reactie met OH−. Als
uit NH4+ de H+ verdwijnt, hou je NH3 over.
51
g 5,1 g per 100 mL, ofwel 51 g per L = 98,08 = 0,52 mol H SO per L. Dit levert:
2 4
2 0,52 = 1,04 mol H+ per L. Per 15 mL is dat: 0,015 1,04 = 0,016 mol H+.
h HCO3− is een base die met H+ reageert. Om de pH te laten dalen, heb je dus meer H+ nodig, meer ‘pH-
minus’.
4