Vraag 1: Wie is de oprichter van de psychodynamische benadering?
A: Sigmund Freud
B: Carl Rogers
C: Paul Watzlawick
Vraag 2: Een kind ziet bij zijn moeder dat de moeder haar brood smeert met een
mes. Later gaat het kind ook zijn brood smeren met een mes.
Om wat voor soort leren gaat het hier?
A: Klassieke conditionering
B: Model-leren
C: Operante conditionering
Vraag 3: Een jong meisje krijgt last van de zogeheten ‘penisnijd’. In welke
ontwikkelingsfase bevindt zij zich?
A: Fallische fase
B: Genitale fase
C: Anale fase
Vraag 4: Een man heeft last van angstige herinneringen. Als de man dan een
onacceptabel kenmerk bij zichzelf bemerkt, zoekt hij dat bij zijn vrouw.
Wat voor soort afweermechanisme is dit?
A: Verplaatsing
B: Splitsing
C: Projectie
Vraag 5: Wat is tegenoverdracht?
A: Het beleven van gevoelens bij iemand die horen bij een ander, meestal bij iemand
uit het verleden.
B: Wanneer de patiënt gevoelens van vroeger bij een therapeut oproept.
C: Wanneer de therapeut gevoelens van vroeger bij de patiënt oproept.
Vraag 6: Er komt een probleem op je af, maar je hebt het gevoel dat de dingen je
overkomen en dat je er zelf niets aan kunt doen.
Welk type locus of control speelt hierbij een rol?
A: Interne locus of control.
B: Externe locus of control.
, Vraag 7: Wat is discrepantie?
A: Het laten merken dat je het vervelend vindt waar de patiënt mee zit.
B: Als de cliënt bezwaren oppert en aangeeft dat het allemaal moeilijk is, erken je
dat.
C: Het in kaart brengen wat de cliënt wil bereiken.
Vraag 8: Wat houdt de Eye Movement Desensititzation Reprocessing in?
A: Een succesvolle cognitieve therapie om trauma’s en andere angststoornissen te
behandelen.
B: Trainingen om hersenfuncties, zoals aandacht, te verbeteren.
C: Meer aandacht voor een goede werkrelatie.
Vraag 9: Wat is de actualiseringstendens?
A: De mens in van nature tot het goede geneigd.
B: De mens heeft een eigen vrije wil.
C: De mens is geneigd zich te ontplooien tot het ‘ware zelf’.
Vraag 10: De cliënt vertelt zijn therapeut wat voor een gekke gedachten hij wel niet
allemaal heeft. De therapeut luistert aandachtig naar de cliënt en veroordeelt hem
niet.
Wat voor een soort van hulp biedt de therapeut hier?
A: Een echt contact.
B: Positieve onvoorwaardelijke acceptatie.
C: Empathie.
Vraag 11: Wat is geen uitganspunt van de systeemtherapie?
A: Tabula Rasa.
B: Het geheel is meer dan de som der delen.
C: Het systeem streeft naar homeostase.
Vraag 12: Een cliënt is in zijn kindertijd uitgelachen door zijn klas, omdat hij een
verhaal vertelde tijdens het kringgesprek. Sindsdien vertelt de cliënt geen verhalen
meer in het openbaar.
Welke vorm van straffen en belonen is dit?
A: Positieve straf.
B: Negatieve bekrachtiging.
C: Positieve bekrachtiging.
Vraag 13: Een jongentje van vier jaar vertoont agressief gedrag.
Wat zouden de aanhangers van het nurture-standpunt hierover zeggen?
A: Het jongentje is met dit gedrag geboren.
B: Het jongentje heeft dit gedrag gezien bij zijn ouders.
C: Het gedrag van dit jongentje is door biologische factoren gestuurd.