Vraag 1: Wat is de taak van de zorgverlener?
A: Het monitoren, screenen en meten van de zorgverlening.
B: Het op basis van klinisch redeneren vaststellen van de behoefte aan
verpleegkundige zorg.
C: Het communiceren op een persoonsgerichte en professionele wijze met de
zorgvrager en diens informele netwerk.
Vraag 2: Mevrouw D. geeft aan slecht te slapen, maar zij weet niet precies waar dit
door komt. De verpleegkundige besluit de man van mevrouw D. hierover een aantal
vragen te stellen, zodat zij een beter beeld krijgt van de situatie van mevrouw D.
Wat voor een soort anamnese neemt de verpleegkundige hier af?
A: Een heteroanamnese.
B: Een basisanamnese.
C: Een probleemgerichte anamnese.
Vraag 3: Meneer J. geeft aan dat hij niet meer zelfstandig boodschappen kan doen
ten gevolge van de ziekte COPD.
Onder welk component van het ICF-model kan deze beperking geplaatst worden?
A: Participatie.
B: Activiteiten.
C: Functies.
Vraag 4: Wat is gecompromitteerde zorgparticipatie?
A: Het voldoende volgen van een voorgesteld gezondheid bevorderend plan.
B: Een methode voor de communicatie tussen de patiënt en de hulpverlener bij het
maken van een keuze tussen meerdere behandelingen.
C: Het onvoldoende volgen van een therapeutisch plan voor het bereiken van een
wenselijke gezondheidstoestand.
Vraag 5: Meneer S. heeft last van inadequate therapietrouw, door
vervoersproblemen.
Waaronder vallen de vervoersproblemen binnen de PES-structuur?
A: Het gezondheidsprobleem (P).
B: De etiologie (E).
C: De kenmerken (S).
, Vraag 6: Bij een cliënt blijkt dat hij niet meer zelfstandig voor zijn eigen
zelfmanagementondersteuning kan zorgen. Hij loopt vast en heeft wat uitdaging
nodig.
Onder kernwaarde van zelfmanagementondersteuning valt dit?
A: Coöperatie.
B: Evocatie.
C: Autonomie.
Vraag 7: Bij een mevrouw op de oncologieafdeling ligt decubitusvorming op de loer.
De verpleegkundige wil dit graag voorkomen door preventie toe te passen.
Welke vorm van preventie moet de verpleegkundige toepassen?
A: Universele preventie.
B: Zorggeralateerde preventie.
C: Geïndiceerde preventie.
Vraag 8: Bij een oudere man in een verpleeghuis is bekend dat hij last heeft van
vallen. De verpleegkundige wil graag vaststellen hoe vaak dit vallen precies
voorkomt bij de man.
Welk begrip hoort hierbij?
A: Prevalentie.
B: Incidentie.
C: Morbiditeit.
Vraag 9: Een zintuigbeperking is een vorm van …
A: Extrinsieke factoren.
B: Intrinsieke factoren.
C: Leeftijdgebonden factoren.
Vraag 10: Waar staan de letters SMART voor?
A: Speciaal, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden.
B: Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdsindicatie.
C: Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden.
Vraag 11: Er is van een patiënt bekend dat haar BMI 33,6 is.
Waar heeft deze patiënt last van?
A: Morbide obesitas.
B: Overgewicht.
C: Ondergewicht.