Basis van gedrag
1. Denken en intelligentie
1.1. De bouwstenen van het denken
Denken:
= een mentale activiteit waarbij beelden of ideeën doelgericht met elkaar in verband worden
gebracht.
→ Van concreet tot abstract (ook ontwikkelingspsychologisch)
Soorten ‘materiaal’ Voorbeelden van denkactiviteiten
Waarneming Inlegpuzzels
Voorstellingen In hoeveel groepen kan ik 4 mensen verdelen?
Concrete begrippen Een vraagstuk waarbij je moet berekenen wat de
oppervlakte van een terrein is dat 7 meter breed en 80
meter diep is.
Abstracte begrippen Een verhandeling schrijven over het thema: de individuele
vrijheid eindigt waar ze in aanvaring komt met de vrijheid
van anderen.
Schema’s en scripts Bij het plannen van een actie rekening houden met wat met
wat wettelijk kan en mag.
Beweringen of proposities Als A groter is dan B, B dan C, dan is A ook groter dan C.
1.1.1. Denken met concreet materiaal
Waarneming:
vb. Hoeveel appels tel je?
Voorstellingen:
vb. Stel dat ik alle rode op eet, hoeveel blijven er dan nog over?
1.1.2. Het gebruik van begrippen
Begrip= concept.
→ Staat tegenover een waarneming of percept.
→ We kunnen het niet concreet zien, maar er ons wel een idee van vormen.
Heeft een abstracte betekenis: gaat om de essentie.
→ Abstraheren
o = mentaal loskomen van concrete verschijningsvorm.
o = zoeken naar gelijkenissen en verschillen.
o Vb: Flat, krot, villa, iglo, tent, hut…
o Vb: 126 parkieten + 80 kanaries = 126 euro + 80 euro
1
,Soorten begrippen:
a. Eenvoudige begrippen
b. Begrippen van hogere orde
a. Eenvoudige begrippen
Voorwaarde om tot een begrip te komen: tegelijk de overeenkomsten en verschillen zien.
Aanleren: kind kan kort na geboorte al kleuren en vormen zien, maar leert ze pas vanaf peuter-
kleuterjaren echt als een concept kennen.
→ Vb: Bert & Ernie ‘Het is een cirkel!’
b. Begrippen van hogere orde
Begripshiërarchie:
= Begrippen van hogere orde tonen telkens het gemeenschappelijke aan.
1.1.3. Het gebruik van schema’s en scripts
Schema:
= Het geheel van informatie dat iemands beleving verbonden is met een bepaald object of
gebeurtenis.
vb. Wat is een examen?
Scripts:
=Verwijzen naar de activiteiten of handelingen die als passend worden ervaren in een bepaalde
situatie.
vb. Hoe dienen studenten (en doenten!) zich op een examen te gedragen?
2
, 1.1.4. Denken en beweringen of proporties
Beweringen = proporties: de relaties tussen begrippen,…
→ …die op zich weer als materiaal kunnen dienen om allerlei nieuwe bewerkingen op door te
voeren.
Bestaat in essentie uit een subject en een predicaat
Vb:
→ Een brood kost 2 euro
→ Lachen is gezond
→ Ann is groter dan Jan
Redeneren: vaststellingen of beweringen op zo’n manier met elkaar in verband brengen dat er
nieuwe inzichten uit afgeleid kunnen worden.
Eenvoudigste vorm van redeneren: syllogisme.
→ Door 2 premisses (=‘beweringen’) op een verantwoorde manier op elkaar te betrekken,
ontstaat een nieuwe bewering die we als een conclusie naar voren halen uit de eerder
geformuleerde premissen.
1.2. Het denken in actie
1.2.1. Twee denkstijlen
Duale procestheorie: 2 denkstijlen.
→ Menselijk denken: 2 denkstijlen.
→ Soms gebruiken we de ene, soms de andere denkstijl.
3
1. Denken en intelligentie
1.1. De bouwstenen van het denken
Denken:
= een mentale activiteit waarbij beelden of ideeën doelgericht met elkaar in verband worden
gebracht.
→ Van concreet tot abstract (ook ontwikkelingspsychologisch)
Soorten ‘materiaal’ Voorbeelden van denkactiviteiten
Waarneming Inlegpuzzels
Voorstellingen In hoeveel groepen kan ik 4 mensen verdelen?
Concrete begrippen Een vraagstuk waarbij je moet berekenen wat de
oppervlakte van een terrein is dat 7 meter breed en 80
meter diep is.
Abstracte begrippen Een verhandeling schrijven over het thema: de individuele
vrijheid eindigt waar ze in aanvaring komt met de vrijheid
van anderen.
Schema’s en scripts Bij het plannen van een actie rekening houden met wat met
wat wettelijk kan en mag.
Beweringen of proposities Als A groter is dan B, B dan C, dan is A ook groter dan C.
1.1.1. Denken met concreet materiaal
Waarneming:
vb. Hoeveel appels tel je?
Voorstellingen:
vb. Stel dat ik alle rode op eet, hoeveel blijven er dan nog over?
1.1.2. Het gebruik van begrippen
Begrip= concept.
→ Staat tegenover een waarneming of percept.
→ We kunnen het niet concreet zien, maar er ons wel een idee van vormen.
Heeft een abstracte betekenis: gaat om de essentie.
→ Abstraheren
o = mentaal loskomen van concrete verschijningsvorm.
o = zoeken naar gelijkenissen en verschillen.
o Vb: Flat, krot, villa, iglo, tent, hut…
o Vb: 126 parkieten + 80 kanaries = 126 euro + 80 euro
1
,Soorten begrippen:
a. Eenvoudige begrippen
b. Begrippen van hogere orde
a. Eenvoudige begrippen
Voorwaarde om tot een begrip te komen: tegelijk de overeenkomsten en verschillen zien.
Aanleren: kind kan kort na geboorte al kleuren en vormen zien, maar leert ze pas vanaf peuter-
kleuterjaren echt als een concept kennen.
→ Vb: Bert & Ernie ‘Het is een cirkel!’
b. Begrippen van hogere orde
Begripshiërarchie:
= Begrippen van hogere orde tonen telkens het gemeenschappelijke aan.
1.1.3. Het gebruik van schema’s en scripts
Schema:
= Het geheel van informatie dat iemands beleving verbonden is met een bepaald object of
gebeurtenis.
vb. Wat is een examen?
Scripts:
=Verwijzen naar de activiteiten of handelingen die als passend worden ervaren in een bepaalde
situatie.
vb. Hoe dienen studenten (en doenten!) zich op een examen te gedragen?
2
, 1.1.4. Denken en beweringen of proporties
Beweringen = proporties: de relaties tussen begrippen,…
→ …die op zich weer als materiaal kunnen dienen om allerlei nieuwe bewerkingen op door te
voeren.
Bestaat in essentie uit een subject en een predicaat
Vb:
→ Een brood kost 2 euro
→ Lachen is gezond
→ Ann is groter dan Jan
Redeneren: vaststellingen of beweringen op zo’n manier met elkaar in verband brengen dat er
nieuwe inzichten uit afgeleid kunnen worden.
Eenvoudigste vorm van redeneren: syllogisme.
→ Door 2 premisses (=‘beweringen’) op een verantwoorde manier op elkaar te betrekken,
ontstaat een nieuwe bewering die we als een conclusie naar voren halen uit de eerder
geformuleerde premissen.
1.2. Het denken in actie
1.2.1. Twee denkstijlen
Duale procestheorie: 2 denkstijlen.
→ Menselijk denken: 2 denkstijlen.
→ Soms gebruiken we de ene, soms de andere denkstijl.
3