Samenvatting mensenwerk hoofdstuk 9
H9 Etnische groepen
Etniciteit: een sociaal-culturele identiteit die een groep mensen verbindt die
zich identificeren met een gemeenschappelijk erfgoed, zoals nationaliteit,
religie, taal, cultuur en geschiedenis.
Westerse cultuur gericht op het individu, niet westers juist gericht op de
samenleving.
Fijnmazige cultuur: groepsbelang, rollen zijn belangrijk, groeps eer en respect
is belangrijk, vrouwen zwakste, scheiding tussen man en vrouw, wat je niet ziet
is er niet, sociaal wenselijke antwoorden en sociale controle, hulpverlening op
basis van uitwisseling.
Grofmazige cultuur: individu is belangrijk, rollen worden niet gewaardeerd, als
je faalt schuldgevoel, vrouwen zelfstandig, geen scheiding tussen mannen en
vrouwen, hulpverlening hoef je niks voor terug te doen, feiten zijn feiten,
slechtnieuwsgesprek en controle door derden.
Impliciete communicatie: zegt iets over de relatie die je hebt met een ander.
Eerlijkheid heeft met eer te maken. De vorm is belangrijker.
Expliciete communicatie: vind plaats op inhoudsniveau. Eerlijkheid heeft te
maken met de werkelijkheid. De inhoud is belangrijker.
Migranten: mensen die over landsgrenzen trekken om zich voor langer dan
een jaar elders te vestigen. Vanuit ontvanger is het een migrant, vanuit
herkomstland een emigrant.
Turken en Marokkanen: religieuze tradities, schoenen uitdoen, man
vertegenwoordigd het gezin, vrouwen vertegenwoordigen de eer, gerangeerde
huwelijken, direct communiceren kan bot ervaren worden.
Oost-bloklanden: soms te maken met malafide uitzendbureau's, kleine maar
dure woningen geplaatst, worden gezien als concurrenten op de arbeidsmarkt.
Nederlands-Indië: volledig geïntegreerd, ouderen hebben verleden in Japanse
interneringskampen en zoeken hier erkenning voor, opvang gebeurde niet
altijd met respect.
Suriname: zeer uiteenlopende cultuur en religie, worden vaak als crimineel
gezien, christendom, islam, hindoeïsme en wintireligie.
H9 Etnische groepen
Etniciteit: een sociaal-culturele identiteit die een groep mensen verbindt die
zich identificeren met een gemeenschappelijk erfgoed, zoals nationaliteit,
religie, taal, cultuur en geschiedenis.
Westerse cultuur gericht op het individu, niet westers juist gericht op de
samenleving.
Fijnmazige cultuur: groepsbelang, rollen zijn belangrijk, groeps eer en respect
is belangrijk, vrouwen zwakste, scheiding tussen man en vrouw, wat je niet ziet
is er niet, sociaal wenselijke antwoorden en sociale controle, hulpverlening op
basis van uitwisseling.
Grofmazige cultuur: individu is belangrijk, rollen worden niet gewaardeerd, als
je faalt schuldgevoel, vrouwen zelfstandig, geen scheiding tussen mannen en
vrouwen, hulpverlening hoef je niks voor terug te doen, feiten zijn feiten,
slechtnieuwsgesprek en controle door derden.
Impliciete communicatie: zegt iets over de relatie die je hebt met een ander.
Eerlijkheid heeft met eer te maken. De vorm is belangrijker.
Expliciete communicatie: vind plaats op inhoudsniveau. Eerlijkheid heeft te
maken met de werkelijkheid. De inhoud is belangrijker.
Migranten: mensen die over landsgrenzen trekken om zich voor langer dan
een jaar elders te vestigen. Vanuit ontvanger is het een migrant, vanuit
herkomstland een emigrant.
Turken en Marokkanen: religieuze tradities, schoenen uitdoen, man
vertegenwoordigd het gezin, vrouwen vertegenwoordigen de eer, gerangeerde
huwelijken, direct communiceren kan bot ervaren worden.
Oost-bloklanden: soms te maken met malafide uitzendbureau's, kleine maar
dure woningen geplaatst, worden gezien als concurrenten op de arbeidsmarkt.
Nederlands-Indië: volledig geïntegreerd, ouderen hebben verleden in Japanse
interneringskampen en zoeken hier erkenning voor, opvang gebeurde niet
altijd met respect.
Suriname: zeer uiteenlopende cultuur en religie, worden vaak als crimineel
gezien, christendom, islam, hindoeïsme en wintireligie.