2.3
De opkomst van handel
In de vroege middeleeuwen was de handel in Europa bijna helemaal verdwenen. Vanaf de
11e eeuw leefde de handel op.
Verbeteringen in de landbouw
Deze opleving was voor een belangrijk deel het gevolg van de toegenomen opbrengsten in
de landbouw. Dat had weer drie oorzaken. Ten eerste bedachten boeren een andere manier
van landbouw: het drieslagstelsel. Dit drieslagstelsel leverde veel meer graan op dan het
oude tweeslagstelsel, waarbij elk stuk grond om het jaar braak lag.
De tweede oorzaak van de hogere opbrengsten was dat mensen woeste gronden (bossen
en moerassen) in gebruik namen als landbouwgrond. Deze ontginningen leidden tot een
forse toename van de hoeveelheid akkers.
De derde oorzaak was dat boeren vanaf de late middeleeuwen ijzeren ploegen gingen
gebruiken, waarmee ze de grond beter konden bewerken. Later verving men de ossen door
paarden, die beter konden trekken.
Markten en geld
De grotere hoeveelheid voedsel had twee gevolgen: de bevolking kon groeien en de handel
nam toe, doordat boeren hun overschotten op lokale markten gingen verkopen. Deze
markten ontstonden op strategische punten: bij bevaarbare waterwegen of op kruispunten
van landwegen. Naast lokale markten, waar regionale producten werden verhandeld,
ontstonden ook grote jaarmarkten. Daar zien we een opleving van de langeafstandshandel.
Italiaanse steden dreven winstgevende handel met het Byzantijnse Rijk en het Midden-
Oosten. Vanuit Italië liep een handelsroute via Frankrijk en Vlaanderen naar Engeland. De
Italiaanse, Vlaamse en Noord-Franse kooplieden ontmoetten elkaar op jaarmarkten in de
Franse streek Champagne. Daar wisselden zijn hun producten uit. Ook het noorden van
Europa was aangesloten op dit grote handelsnetwerk.
Door de opbloei van de handel ontstond een groeiende vraag naar geld. Zolang de handel
vooral plaatselijk was, kon men zich behelpen met kleine, zilveren munten. Maar vanaf het
midden van de 13e eeuw werden er ook weerd gouden munten geslagen: de florijn in
Florence en de dukaat in VEnetië. Hierdoor kwamen de geldeconomie en de geldhandel tot
ontwikkeling.
Omdat alle steden eigen munten hadden, waren in alle handelssteden en op jaarmarkten
geldwisselaars aanwezig. Soms leende die ook geld uit aan kooplieden. Uit deze activiteiten
ontstonden in de Italiaanse handelssteden de eerste banken.
De opkomst van handel
In de vroege middeleeuwen was de handel in Europa bijna helemaal verdwenen. Vanaf de
11e eeuw leefde de handel op.
Verbeteringen in de landbouw
Deze opleving was voor een belangrijk deel het gevolg van de toegenomen opbrengsten in
de landbouw. Dat had weer drie oorzaken. Ten eerste bedachten boeren een andere manier
van landbouw: het drieslagstelsel. Dit drieslagstelsel leverde veel meer graan op dan het
oude tweeslagstelsel, waarbij elk stuk grond om het jaar braak lag.
De tweede oorzaak van de hogere opbrengsten was dat mensen woeste gronden (bossen
en moerassen) in gebruik namen als landbouwgrond. Deze ontginningen leidden tot een
forse toename van de hoeveelheid akkers.
De derde oorzaak was dat boeren vanaf de late middeleeuwen ijzeren ploegen gingen
gebruiken, waarmee ze de grond beter konden bewerken. Later verving men de ossen door
paarden, die beter konden trekken.
Markten en geld
De grotere hoeveelheid voedsel had twee gevolgen: de bevolking kon groeien en de handel
nam toe, doordat boeren hun overschotten op lokale markten gingen verkopen. Deze
markten ontstonden op strategische punten: bij bevaarbare waterwegen of op kruispunten
van landwegen. Naast lokale markten, waar regionale producten werden verhandeld,
ontstonden ook grote jaarmarkten. Daar zien we een opleving van de langeafstandshandel.
Italiaanse steden dreven winstgevende handel met het Byzantijnse Rijk en het Midden-
Oosten. Vanuit Italië liep een handelsroute via Frankrijk en Vlaanderen naar Engeland. De
Italiaanse, Vlaamse en Noord-Franse kooplieden ontmoetten elkaar op jaarmarkten in de
Franse streek Champagne. Daar wisselden zijn hun producten uit. Ook het noorden van
Europa was aangesloten op dit grote handelsnetwerk.
Door de opbloei van de handel ontstond een groeiende vraag naar geld. Zolang de handel
vooral plaatselijk was, kon men zich behelpen met kleine, zilveren munten. Maar vanaf het
midden van de 13e eeuw werden er ook weerd gouden munten geslagen: de florijn in
Florence en de dukaat in VEnetië. Hierdoor kwamen de geldeconomie en de geldhandel tot
ontwikkeling.
Omdat alle steden eigen munten hadden, waren in alle handelssteden en op jaarmarkten
geldwisselaars aanwezig. Soms leende die ook geld uit aan kooplieden. Uit deze activiteiten
ontstonden in de Italiaanse handelssteden de eerste banken.