Basisboek opvoeding
Inleiding
Pedagogen maken in hun theorievorming en methodiekontwikkeling gebruik van
psychologische begrippen, onderzoeken en bevindingen. Vooral in het denken over
de praktijk van de opvoeding worden beide wetenschappen, met name de resultaten
ervan, naast elkaar en door elkaar heen gebruikt. Ook al is een wisselwerking tussen
de resultaten van pedagogiek en psychologie onvermijdelijk en ook zinvol, toch is het
van belang dat zij duidelijk van elkaar onderscheiden blijven.
Psychologische stromingen en pedagogiek
De psychologie houdt zich bezig met het gedrag van de mens, de ontwikkeling
hiervan, de drijfveren, de condities en de stoornissen. Het is een beschrijvende
wetenschap. De pedagogiek houdt zich bezig met het opvoedend handelen, de
motieven hiervoor, de methoden erbij en de effecten ervan. De pedagogiek heeft ook
altijd een normatief aspect. Het is namelijk een handelingswetenschap. En handelen
heeft naast allerlei objectieve kanten steeds te maken met keuzes maken. De
gegevens die verzameld zijn gaan vooral om de psychische ontwikkeling van het
kind en de invloeden die daarop worden uitgeoefend, over de effecten van die
invloeden en de problemen die in die ontwikkeling kunnen optreden. De psychologie
levert ons inzicht in wat taalontwikkeling, motoriek en leren en disciplineren. Zo zijn
er verschillende psychologische stromingen met elk zijn of haar eigen ideeën. We
kunnen deze stromingen onderscheiden in: de gedragspsychologie (behaviorisme),
de cognitieve psychologie, de psychoanalytische stroming, de humanistische
psychologie, de systeemtheorie en de biologische psychologie.
Gedragspsychologie of behaviorisme
De gedragspsychologie gaat terug op de Russische fysioloog Pavlov, die de
zogenoemde geconditioneerde reflex bij honden kon aantonen met stimulus-respons.
Door de Amerikaanse psycholoog Watson werd het behaviorisme of de
gedragspsychologie gegrondvest. Verder zijn namen als Thorndike en Skinner onder
deze stroming nog vertegenwoordigers van de psychologie. Deze stroming gaat
ervan uit dat de psychologie alleen datgene van het menselijk gedrag kan
bestuderen dat objectief waarneembaar is. Alleen de meetbare effecten en de
menselijke gedragen die objectief waarneembaar zijn kunnen onderzocht worden.
Als de hond leert dat het horen van de toon te verbinden is met het ontvangen
voedsel spreek je van een geconditioneerde stimulus (de toon) en een
geconditioneerde respons (reflex). Dit is een klassieke conditionering.
Bij de operante conditionering wordt de respons niet alleen verbonden met de
voorafgaande stimulus, maar ook met het effect. Zo zal op bepaald gedrag een
consequentie vertoond worden.
Als kinderen leren dat ook andere volwassen mensen, en niet alleen mama, een
positieve beloning kunnen geven noemen we dat stimulusgeneralisatie. Als het kind
leert dat een kachel heet is en zich brand eraan noemen we dit stimulusdiscriminatie.
Albert Bandura heeft de theorie uitgebreid tot het sociaal leren. Volgens hem ontstaat
gedrag niet alleen als gevolg van een stimuli en bekrachtiging van responses, maar
ook door imitatie (model-leren).