laatmiddeleeuwse samenleving
(bladzijde 461-464)
Openheid en afsluiting
● In de tijd van de pest heerste er een sfeer van enorme onzekerheid. Wie zou
overleven en wie zou sterven was onvoorspelbaar, en had niks te maken met arm of
rijk.
● De adel sloot zich op een bepaalde manier af van de rest van de bevolking. Dat
gebeurde in Engeland om de reden dat het koningshuis belasting ging heffen, en
moest weten wie er wel en niet bij de adel hoorde. Dat hing af van je inkomen en
grondbezit. Als je meer grond in bezit kreeg, kon je in Engeland tot de adelstand
gerekend worden. In Nederland keek met naar het bezit van heerlijkheidsrechten.
● Adel en ridders sloten mensen buiten die hun stand niet meer konden behouden. Je
kon er dus ook weer uitvallen.
● In de stad kwam er ook een vorm van afsluiting voor: er was een grote groep
mensen die niet burger en dus geen lid van een gilde waren of een eigen bedrijfje
hadden. Zij werden dus buitengesloten van de gilden en andere privileges.
Tegelijkertijd bestond er een export handel waar nieuwkomers (dagloners) wel
welkom waren.
● Er bestond in de middeleeuwen voor elke bevolkingsgroep een soort gedragscode;
een manier waarop men verwachtte dat je je gedroeg, afhankelijk van je stand.