HC1
Hoofstuk 1 inleiding
Verschillende betekenissen term landschap:
Aanduiden gebied, territorium, gewest
Inhoud is niet van belang
Aanduiden op grond van bepaalde kenmerken
Monothematische regio
Uiterlijk van gebied aangeven
Fysiognomie
Aanduiden totaliteit van gebied
Bepaald door onderlinge samenhang landschapsfactoren
Kenmerken van een landschap:
Uiterlijk (fysiognomie)
Structuur
Dynamiek
Ontwikkeling (genetische successie)
Interne samenhang tussen landschapsfactoren
In een landschap is er een logische samenhang tussen de factoren en ze hebben allemaal invloed op
elkaar.
Substraat= gesteente en reliëf
Klimaat heeft als variabelen:
Temperatuur
Neerslag
Zon
Wind
Progressieve ontwikkeling= toenemende complexiteit
Afnemende complexiteit= regressieve ontwikkeling
,Indeling landschappen op grond van mate menselijke invloed:
Cultuurlandschappen
flora & vegetatie door de mens bepaalt
Half-natuurlijke landschappen
Flora is spontaan, vegetatie beïnvloed door mens
Bijna natuurlijke landschappen
Natuurlijke landschappen
Klimaat is een bepalende factor voor bodem, water en vegetatie
Hoofstuk 2 klimaat en atmosfeer
Paragraaf 2.1 de atmosfeer
Vaste deeltjes in de atmosfeer (vb. zand en zoutkristallen) spelen een rol in het ontstaan van wolken
en neerslag.
Troposfeer stijgt te warme lucht op door convectieprocessen, hoe verder van de aarde, hoe
kouder.
Tropopauze temperatuur verandert niet
Stratosfeer temperatuur neemt toe
Stratopauze temperatuur veranderd niet
Mesosfeer temperatuur daalt
Mesoqauze temperatuur veranderd niet
Thermossfeer temperatuur stijgt
exosfeer
kortgolvige straling = straling naar de aarde toe
langgolvige straling = straling van de aarde af
zon dichter bij evenaar + kleiner opp. opp. meer verwart dan ver van evenaar, ongelijk verwarmt
horizontale en verticale luchtbewegingen energietransport in 6 hadleycellen
lucht koelt af condenseert regen (stijgen)
lucht word warm meer vocht bastouden geen regen (daalt)
, paragraaf 2.2 klimaat en klimaatindeling
factoren die het Nederlandse klimaat bepalen:
breedteligging
Ligging t.o.t. de zee
Hoogte
Grondsoort
Oriëntatie
Begroeiing
Klimaatsysteem koppen:
A: tropische regenklimaten
koudste maand hoger of gelijk aan 18 graden
B: droge klimaten
verdamping overtreft neerslag
C: gematigd maritieme klimaten
koudste maand lager of gelijk aan 18 graden maar hoger of gelijk aan -3 graden.
Warmste maand hoger of gelijk aan 10 graden.
D: continentale klimaten
Koudste maand minder of gelijk aan -3 graden, warmste maand hoger of gelijk aan 10
graden
E: polaire klimaten
Warmste maand lager of gelijk aan 10 graden
H: hooggebergte klimaten
Paragraaf 2.3 klimaat van Nederland
Nederland heeft een cfb klimaat:
C; gematigd maritiem
F: geen droge periode
B: warmste maand lager dan 22 graden gemiddeld, koudste maand hoger dan 10 graden
gemiddeld.
Boven de evenaar wind afwijking naar rechts
Onder de evenaar wind afwijking naar links