KNGF richtlijn beroerte
Therapeutisch proces
Algemene behandelprincipes
Intensiteit van oefentherapie
Een hogere behandelintensiteit beïnvloedt voornamelijk de snelheid van functioneel herstel. Deze effecten
lijken vooral van toepassing te zijn op de onderste extremiteiten. Patiënten moeten dus zoveel mogelijk
behandelingen krijgen en daarnaast ook de mogelijkheid hebben om buiten de behandelingen om te oefenen.
Taak –en contextspecificiteit van trainingseffecten
De training moeten zo veel mogelijk gericht zijn op het (her)leren van vaardigheden die voor het ADL van de
patiënt relevant zijn = specificiteit. Dit beperkt zich niet tot de beweging zelf, maar heeft betrekking op de hele
omgeving (conctex) waarin de beweging plaatsvindt (dus in eigen woon –of werkomgeving).
Neurologische oefenconcepten
Vooralsnog wordt verondersteld dat elke behandelmethode (NDT, PNF, Brunnstrom, etc) een positief effect
heeft op het functioneel herstel. Wel zijn er aanwijzingen dat de opnameduur van patiënten met een CVA in
een stroke unit langer duurt wanneer met strikt volgens de principes van het NDT (Bobath) concept werkt. Er
wordt echter geadviseerd een eclectische behandelvorm toe te passen, waarbij het accent ligt op het direct
aanleren van de beoogde functionele vaardigheid zelf.
Motorische leerprincipes
Er zijn een aantal elementen aan te geven die de effectiviteit van het motorisch leren bepalen:
a) De oefenstof dient voor de patiënt niet te makkelijk of te moeilijk te zijn. Belangrijk is dat de therapeut de
opbouw van de oefenstof zo inricht dat de oefeningen inspelen op de mate van bewegingsmogelijkheden
waarbinnen de handeling door de patiënt nog kan worden gecontroleerd, maar als het wel een zodanige
moeilijkheidsgraad heeft dat de patiënt ervan leert;
b) Er moet voldoende herhaling in zitten;
c) De patiënt moet goed geïnformeerd worden (feedback) over de uitvoering en het resultaat van de
geleerde beweging
d) Opbouwen van een motorische handeling bij het aanleren van complexe meervoudige
bewegingshandelingen waarbij sterk aanspraak gemaakt wordt op het declaratief leren (bijv. aankleden) =
accent ligt op het behaalde resultaat van de handeling
- Automatische handelingen kunnen beter niet gefragmenteerd worden aangeboden (bijv. lopen)
= procedureel leren = accent ligt op de uitvoering van de beweging.
Fase van immobilisatie
In de eerste dagen van de eerste fase is het streven om binnen 72 uur na het ontstaan van het CVA de patiënt
te mobiliseren (zo kort mogelijk bedgebonden). Echter niet bij verminder bewustzijn, sommige complicaties en
intracraniale drukverhoging (hersenbloeding). De eerste fase is primair gericht op het voorkomen van
complicaties en een adviserende, controlerende, behandelende functie:
- Het adviseren van een optimale lighouding die de patiënt tevens als comfortabel ervaart
- Het onderhouden van mobiliteit van het HBA
- Het onderhouden en verzorgen van een optimale pulmonale ventilatie
- Het opzetten en controleren van een adequaat wisselingsschema (houdt rekening met positionering
schouder)
Fase van mobilisatie
Tijdens de fase van mobilisatie richt fysiotherapie zich vooral op het verbeteren van activiteiten, zoals:
- Handhaven en veranderen van houdingen
- Zelfstandig lopen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan buiten lopen
- Het zich verplaatsen met een vervoermiddel
- Het inzetten van de paretische arm
- Zelfverzorging en huishoudelijke activiteiteten
- Besteding van vrije tijd en sport
Therapeutisch proces
Algemene behandelprincipes
Intensiteit van oefentherapie
Een hogere behandelintensiteit beïnvloedt voornamelijk de snelheid van functioneel herstel. Deze effecten
lijken vooral van toepassing te zijn op de onderste extremiteiten. Patiënten moeten dus zoveel mogelijk
behandelingen krijgen en daarnaast ook de mogelijkheid hebben om buiten de behandelingen om te oefenen.
Taak –en contextspecificiteit van trainingseffecten
De training moeten zo veel mogelijk gericht zijn op het (her)leren van vaardigheden die voor het ADL van de
patiënt relevant zijn = specificiteit. Dit beperkt zich niet tot de beweging zelf, maar heeft betrekking op de hele
omgeving (conctex) waarin de beweging plaatsvindt (dus in eigen woon –of werkomgeving).
Neurologische oefenconcepten
Vooralsnog wordt verondersteld dat elke behandelmethode (NDT, PNF, Brunnstrom, etc) een positief effect
heeft op het functioneel herstel. Wel zijn er aanwijzingen dat de opnameduur van patiënten met een CVA in
een stroke unit langer duurt wanneer met strikt volgens de principes van het NDT (Bobath) concept werkt. Er
wordt echter geadviseerd een eclectische behandelvorm toe te passen, waarbij het accent ligt op het direct
aanleren van de beoogde functionele vaardigheid zelf.
Motorische leerprincipes
Er zijn een aantal elementen aan te geven die de effectiviteit van het motorisch leren bepalen:
a) De oefenstof dient voor de patiënt niet te makkelijk of te moeilijk te zijn. Belangrijk is dat de therapeut de
opbouw van de oefenstof zo inricht dat de oefeningen inspelen op de mate van bewegingsmogelijkheden
waarbinnen de handeling door de patiënt nog kan worden gecontroleerd, maar als het wel een zodanige
moeilijkheidsgraad heeft dat de patiënt ervan leert;
b) Er moet voldoende herhaling in zitten;
c) De patiënt moet goed geïnformeerd worden (feedback) over de uitvoering en het resultaat van de
geleerde beweging
d) Opbouwen van een motorische handeling bij het aanleren van complexe meervoudige
bewegingshandelingen waarbij sterk aanspraak gemaakt wordt op het declaratief leren (bijv. aankleden) =
accent ligt op het behaalde resultaat van de handeling
- Automatische handelingen kunnen beter niet gefragmenteerd worden aangeboden (bijv. lopen)
= procedureel leren = accent ligt op de uitvoering van de beweging.
Fase van immobilisatie
In de eerste dagen van de eerste fase is het streven om binnen 72 uur na het ontstaan van het CVA de patiënt
te mobiliseren (zo kort mogelijk bedgebonden). Echter niet bij verminder bewustzijn, sommige complicaties en
intracraniale drukverhoging (hersenbloeding). De eerste fase is primair gericht op het voorkomen van
complicaties en een adviserende, controlerende, behandelende functie:
- Het adviseren van een optimale lighouding die de patiënt tevens als comfortabel ervaart
- Het onderhouden van mobiliteit van het HBA
- Het onderhouden en verzorgen van een optimale pulmonale ventilatie
- Het opzetten en controleren van een adequaat wisselingsschema (houdt rekening met positionering
schouder)
Fase van mobilisatie
Tijdens de fase van mobilisatie richt fysiotherapie zich vooral op het verbeteren van activiteiten, zoals:
- Handhaven en veranderen van houdingen
- Zelfstandig lopen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan buiten lopen
- Het zich verplaatsen met een vervoermiddel
- Het inzetten van de paretische arm
- Zelfverzorging en huishoudelijke activiteiteten
- Besteding van vrije tijd en sport