Hoorcollege Week 3
Opsporing en het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel
Opsporing
- Wettelijke definitie in art. 132a Sv: “Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek
in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel
het nemen van strafvorderlijke beslissingen
o De OvJ geeft leiding aan het opsporingsonderzoek
o Doelgerichtheid: het nemen van strafvorderlijke beslissingen
Bijv. wel vervolgen of niet?
Zo ja, voor welk feit?
o Opheldering van strafbare feiten
- Wettelijke regeling in boek II, titel I
o Maar ook elders binnen en buiten het Wetboek van Strafvordering
Buiten het wetboek: bijzondere wetten, zoals Wet wapens en munitie
en Opiumwet
Specifieke bevoegdheden ter handhaving van die specifieke
wet
- Wanneer start opsporing?
o In elk geval vanaf het moment dat er een verdenking is als bedoeld in art. 27
lid 1 Sv
Een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit wat is
gebleken uit feiten en omstandigheden
o Ook andere momenten van opsporing, ook al voordat er sprake is van een
verdachte, dat hangt af van de verschillende soorten opsporing die er zijn. Zie
hierna
- Wie spoort op?
o Opsporingsambtenaren
Art. 141 Sv: algemene opsporingsambtenaren -> niet beperkt tot een
specifiek delict
Officier van Justitie
o Naast lid van het OM is hij ook opsporingsambtenaar
o Instructies geven aan bijvoorbeeld politieagenten
o Autoriteit die machtiging verschaft om ambtenaren
bevoegdheden te verlenen. Hij heeft daarbij een
toetsende rol
o Art. 148 lid 3 Sv: OvJ kan ook zelf opsporen en daarvoor
opsporingsbevoegdheden gebruiken
o Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek
Geeft richting aan het onderzoek (welk strafbaar
feit/welk persoon -> actief sturen van het
opsporingsonderzoek)
Waarborgfunctie: toetsende rol -> beoordelen
of aan de voorwaarden voor het uitoefenen van
een bepaalde bevoegdheid is voldaan en
Opsporing en het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel
Opsporing
- Wettelijke definitie in art. 132a Sv: “Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek
in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel
het nemen van strafvorderlijke beslissingen
o De OvJ geeft leiding aan het opsporingsonderzoek
o Doelgerichtheid: het nemen van strafvorderlijke beslissingen
Bijv. wel vervolgen of niet?
Zo ja, voor welk feit?
o Opheldering van strafbare feiten
- Wettelijke regeling in boek II, titel I
o Maar ook elders binnen en buiten het Wetboek van Strafvordering
Buiten het wetboek: bijzondere wetten, zoals Wet wapens en munitie
en Opiumwet
Specifieke bevoegdheden ter handhaving van die specifieke
wet
- Wanneer start opsporing?
o In elk geval vanaf het moment dat er een verdenking is als bedoeld in art. 27
lid 1 Sv
Een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit wat is
gebleken uit feiten en omstandigheden
o Ook andere momenten van opsporing, ook al voordat er sprake is van een
verdachte, dat hangt af van de verschillende soorten opsporing die er zijn. Zie
hierna
- Wie spoort op?
o Opsporingsambtenaren
Art. 141 Sv: algemene opsporingsambtenaren -> niet beperkt tot een
specifiek delict
Officier van Justitie
o Naast lid van het OM is hij ook opsporingsambtenaar
o Instructies geven aan bijvoorbeeld politieagenten
o Autoriteit die machtiging verschaft om ambtenaren
bevoegdheden te verlenen. Hij heeft daarbij een
toetsende rol
o Art. 148 lid 3 Sv: OvJ kan ook zelf opsporen en daarvoor
opsporingsbevoegdheden gebruiken
o Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek
Geeft richting aan het onderzoek (welk strafbaar
feit/welk persoon -> actief sturen van het
opsporingsonderzoek)
Waarborgfunctie: toetsende rol -> beoordelen
of aan de voorwaarden voor het uitoefenen van
een bepaalde bevoegdheid is voldaan en