Elasticiteit is verschil in %, groot bij -1 tm 1.
BEP: Opbrengst = kosten. (Dus de GTK en GO lijn!)
Maximale omzet: 1. Volkomen concurrentie: productiecapaciteit. 2. Monopolie: MO = 0.
Maximale winst = MO = MK. Je neemt de afzet daarvan, en kijkt dan naar de GO en GTK lijn.
Afwentelingspercentage = Verandering prijs : heffing x 100%.
RIC = NIC : PIC = Indexcijfers!
Omslagstelsel: Gelijk uitgegeven.
Kapitaaldekkingsstelsel: Premies beleggen.
Welvaartsvast: Stijgt met lonen.
Waardevast: stijgt met prijzen.
Indirecte belastingen zijn hogere kostprijzen, BTW, accijnzen (heffing), invoer- en milieuheffingen.
Directe belastingen zijn belasting op inkomen en bezit, inkomsten- en vennootschapsbelasting en
successierechten.
Overdrachtsuitgaven: Uitkeringen, subsidies.
- Activa = Opbrengsten van investeringen.
- Passiva = Kosten van investeringen, wordt laten zien in de vorm van vermogen (eigen
vermogen + vreemd vermogen).
Berovingsprobleem: een bedrijf dat investeringen doet wordt afhankelijk van 1 klant, anders wordt
geld niet terug verdiend.
Initiële loonstijging: Het loon stijgt sneller dan de inflatie.
Risico-avers = op de hoogte van het risico.
Asymmetrische informatie = De verzekerde weet meer van het risico dan de verzekeraar.
Averechtse selectie = alleen de slechte risico’s zijn nog verzekerd.
Moral hazard = Moreel wangedrag = gevaarlijk met verzekerde dingen omgaan. Oplossing: Eigen
risico.
Rendement = Beleggingsopbrengst : Belegde bedrag x 100%.
Obligatie = Schuldpapier van bedrijf of overheid, opbrengst is rentepercentage.
Aandeel = Eigendomsbewijs NV of BV, opbrengt is winstdeling en koerswinst.
Liquide middelen = contant geld.
Lopende rekening = beloningen KANO
Kapitaalrekening = Investeringen, leningen, beleggingen en aflossingen.
Wisselkoers en inflatie hebben een negatief verband.
Vermogensmarkt = leningen.