NEDERLANDS
Beeldspraak en stijlfiguren – VWO – Nieuw Nederlands
, §1 Het gebruik van uitdrukkingen
Een uitdrukking is een zins(deel) met een figuurlijke betekenis. Er zijn verschillende soorten
uitdrukkingen:
1. Synoniemen (tautologie)
Voorbeeld: van alle rangen en standen.
2. Tegenstellingen (antithese)
Voorbeeld: vroeg of laat.
3. Alliteratie (beginrijm)
Voorbeeld: kort en klein.
4. Eindrijm
Voorbeeld: in geuren en kleuren.
§2 Het gebruik van beeldspraak
1. Beeldspraak berust op overeenkomst (metafora):
Vergelijking: beeld en object worden naast elkaar geplaatst. Er zit altijd een verbindingswoord
in.
Voorbeeld: Hij is een schat (b) van (v) een kind (o).
Asyndetische vergelijking: beeld en object worden naast elkaar geplaatst, maar het
verbindingswoord wordt weggelaten.
Voorbeeld: Hij legde zijn hand (o), een ham (b), op de schouder van zijn vrouw.
Metafoor: alleen het beeld wordt benoemd. (Vaak een spreekwoord of uitdrukking).
Voorbeeld: Puntjes op de i zetten.
Personificatie: iets levenloos wordt levend gemaakt.
Voorbeeld: De rol koekjes smeekte om gegeten te worden.
Allegorie: een reeks bij elkaar horende metaforen en personificaties.
Voorbeeld: Een recept voor een goede vriendschap.
Synesthesie: waarnemingen van twee zintuigen worden gecombineerd.
Voorbeeld: Bittere verwijten.
2. Beeldspraak die niet berust op overeenkomst (metonymia):
Pars pro toto: deel in plaats van geheel.
Voorbeeld: Ik heb een bloemetje voor je gehaald op de markt.
Totum pro parte: geheel in plaats van geheel.
Voorbeeld: Duitsland won de finale van het WK.
Beeldspraak en stijlfiguren – VWO – Nieuw Nederlands
, §1 Het gebruik van uitdrukkingen
Een uitdrukking is een zins(deel) met een figuurlijke betekenis. Er zijn verschillende soorten
uitdrukkingen:
1. Synoniemen (tautologie)
Voorbeeld: van alle rangen en standen.
2. Tegenstellingen (antithese)
Voorbeeld: vroeg of laat.
3. Alliteratie (beginrijm)
Voorbeeld: kort en klein.
4. Eindrijm
Voorbeeld: in geuren en kleuren.
§2 Het gebruik van beeldspraak
1. Beeldspraak berust op overeenkomst (metafora):
Vergelijking: beeld en object worden naast elkaar geplaatst. Er zit altijd een verbindingswoord
in.
Voorbeeld: Hij is een schat (b) van (v) een kind (o).
Asyndetische vergelijking: beeld en object worden naast elkaar geplaatst, maar het
verbindingswoord wordt weggelaten.
Voorbeeld: Hij legde zijn hand (o), een ham (b), op de schouder van zijn vrouw.
Metafoor: alleen het beeld wordt benoemd. (Vaak een spreekwoord of uitdrukking).
Voorbeeld: Puntjes op de i zetten.
Personificatie: iets levenloos wordt levend gemaakt.
Voorbeeld: De rol koekjes smeekte om gegeten te worden.
Allegorie: een reeks bij elkaar horende metaforen en personificaties.
Voorbeeld: Een recept voor een goede vriendschap.
Synesthesie: waarnemingen van twee zintuigen worden gecombineerd.
Voorbeeld: Bittere verwijten.
2. Beeldspraak die niet berust op overeenkomst (metonymia):
Pars pro toto: deel in plaats van geheel.
Voorbeeld: Ik heb een bloemetje voor je gehaald op de markt.
Totum pro parte: geheel in plaats van geheel.
Voorbeeld: Duitsland won de finale van het WK.