Wilke Dommering – A4F
1.1 van jagers-verzamelaars naar boeren
Kenmerkende aspecten:
1. De levenswijze van jagers en verzamelaars.
2. Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
Prehistorie → tijd voordat men kon schrijven. (? – 3000v. Chr)
Mensapen trokken uit bossen en paste zich aan aan de omgeving (evolutie). De eerste moderne mens leefde in
Europa met de Neanderthaler, deze soort stierf uit en de homo sapiens bleven als enige over. Zij ontwikkelden
taal, waardoor ze kennis konden uitwisselen. Dit heet collectief leren, iets wat andere dieren niet konden. Ze
dachten ook op symbolische wijze, bewijs dat kan je terug zien in hoe ze doden begroeven. Ook hadden ze
sierraden. Neanderthalers en homo sapiens waren jagers-verzamelaars en leefden als nomaden. Ze waren
voortdurend op zoek naar voedsel en hadden tijdelijke onderkomens. Ze waren erg afhankelijk van het klimaat.
Ook maakten deze mensen werktuigen van steen, daarom wordt deze tijd ook wel de Oude Steentijd genoemd.
Men kreeg meer kennis over voedsel en door een gunstiger klimaat was er meer voedsel, dus meer mensen.
Toen het klimaat om sloeg en er geen voedsel meer in overvloed was, moest men wel overgaan op landbouw.
Dit gebeurde in de vruchtbare halve maan. Hierbij ontstond ook veeteelt. Deze ontwikkeling is zo groot dat we
spreken van een landbouwrevolutie.
Door meer voedsel door landbouw namen de groepen mensen nog verder toe en trokken mensen naar West-
Europa zij namen hun kennis mee. Men leefden niet meer als nomaden, maar begonnen sedentair te leven. Zo
ontstonden kleine dorpen. Ze konden meer bezittingen hebben.
1.2 dorpen en stadstaten
Kenmerkende aspecten:
2. het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
3. Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Landbouwsamenlevingen verspreidden zich over heel Europa. Rond de halve maan ontstonden er dorpen.
Sommige boeren trokken naar de streken rondom de rivieren en waren dus aangewezen op rivier water. Door
kanalen te graven, brachten ze dit naar akkers. Dit zorgde voor grotere oogsten. Dit kon alleen met grote
groepen met een leider, dus moesten boeren samenwerken. Boeren met meer oogst waren machtiger en
werden leiders. Hieruit ontstond het koningschap. Door succesvolle irrigatielandbouw groeide de bevolking.
Hierdoor ontstonden er steden.
We spreken van stadstaten als ze platteland en kleinere nederzettingen overheerste. Mensen specialiseerden
in bepaalde delen van boer zijn. De landbouw opbrengst was zo groot dat niet iedereen meer boer hoefde te
zijn en sommige mensen werden bijvoorbeeld huizenbouwer. Zo ontstonden beroepen. In stadstaten was er
ook sprake van veel monumentale gebouwen en een stadstaat was vaak hiërarchisch opgebouwd. Men
geloofden vaak in meerdere goden (polytheïsme). Bovenaan de hiërarchie stond vaak een koning die ook als
god werd gezien of iemand die met goden kon communiceren.
Niet alles kon meer mondeling worden afgesproken en dus bood het schrift een uitkomst.
1.3 De eerste staten
Kenmerkende aspecten:
2. het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
3. Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Er ontstonden staten door (gedwongen) samenwerkingen tussen gebieden. Een staat is een samenleving met
een duidelijke leider, die de samenleving bestuurt. Als de ene staat macht verloor, kon de andere staat
machtiger worden. Koningen hadden de macht.
Koningen en farao’s hadden volgelingen die hun blindelings volgden en dus erg veel macht dit kwam door:
- Ambtenarij & het leger: Zij zorgden voor orde en konden vijanden verslaan en opstanden
onderdrukken.