Hoofdstuk 7
In elk organisme vinden celprocessen plaats. Celprocessen zijn nodig om energie om te zetten in
bruikbare energie voor het organisme.
7.1 Assimilatie en dissimilatie
Organische stoffen zijn stoffen die groter en complexer zijn en worden gemaakt door organismen.
Organische stoffen bevatten altijd de elementen koolstof, zuurstof en waterstof. Anorganische stoffen
komen voor in de niet-levende natuur en zijn vaak eenvoudiger. Organische stoffen zijn erg
energierijk, terwijl anorganische stoffen dit niet zijn.
Bij een deel van de reacties in cellen worden organische stoffen opgebouwd uit eenvoudigere
organische stoffen of uit anorganische stoffen, zoals koolstofdioxide en water. Dit noemen we
assimilatie. Voor assimilatie is energie nodig, bijvoorbeeld zonlicht bij fotosynthese. Als organismen
weer andere organische stoffen maken van glucose noemen we dat voortgezette assimilatie. We
spreken van dissimilatie als organische stoffen worden afgebroken. Hierbij komt energie vrij,
bijvoorbeeld bij de verbranding van glucose in de mitochondriën. De energie die vrijkomt, kan weer
gebruikt worden voor allerlei andere assimilatieprocessen.
Verbranding kan plaatsvinden met zuurstof (aeroob) of zonder zuurstof (anaëroob). Op veel plaatsen
bevinden zich anaerobe bacteriën, die zonder zuurstof leven. Een sporter die een te grote inspanning
levert, verzuurt. In zijn spieren ontstaat dan melkzuur en dat is giftig. Als het zich ophoopt
(verzuring in je spieren), stopt de beweging en stopt de vorming ervan. Het melkzuur wordt dan door
het bloed naar de lever vervoerd. Daar wordt het, als de aanvoer van zuurstof weer voldoende is,
omgezet in glucose. Melkzuurbacteriën produceren ook melkzuur en dit gebruiken we bij
voedselbereiding.
Gist is een schimmelsoort die zowel aeroob als anaeroob glucose kan dissimileren. Bij de anaerobe
dissimilatie ontstaat er alcohol en koolstofdioxide. Deze vorm van dissimilatie heet alcoholische
gisting. Ethanol bevat nog veel energie. Hierdoor ontstaat er maar weinig ATP bij deze vorm van
dissimilatie.
De cel beschikt over bepaalde stoffen, die zeer geschikt zijn om de energie van het ene proces op het
andere over te dragen. Één daarvan is ATP. Het molecuul ATP (adenosine-tri-phosphate) bevat
bindingen die veel energie bevatten. Bij de splitsing van ATP in ADP komt een fosfaatgroep vrij en
dat levert de cel energie op.
7.3 Autotroof en heterotroof
De drijvende kracht achter alle processen in cellen is uiteindelijk de energie van de zon. Toch kunnen
de meeste organismen deze energie hooguit gebruiken om hun temperatuur op peil te houden. Alleen
organismen met bladgroen, zoals planten, algen en enkele bacteriesoorten (cyanobacteriën) kunnen
het zonlicht ook benutten om van te leven. Ze gebruiken de energie om uit water en koolstofdioxide,
organische stoffen te maken. Het proces waarin ze dit doen heet fotosynthese.
Een kleine groep bacteriën kan leven van de energie uit de oxidatie van energierijke anorganische
verbindingen. Met behulp van die energie maken ze de organische stoffen die ze nodig hebben.
In elk organisme vinden celprocessen plaats. Celprocessen zijn nodig om energie om te zetten in
bruikbare energie voor het organisme.
7.1 Assimilatie en dissimilatie
Organische stoffen zijn stoffen die groter en complexer zijn en worden gemaakt door organismen.
Organische stoffen bevatten altijd de elementen koolstof, zuurstof en waterstof. Anorganische stoffen
komen voor in de niet-levende natuur en zijn vaak eenvoudiger. Organische stoffen zijn erg
energierijk, terwijl anorganische stoffen dit niet zijn.
Bij een deel van de reacties in cellen worden organische stoffen opgebouwd uit eenvoudigere
organische stoffen of uit anorganische stoffen, zoals koolstofdioxide en water. Dit noemen we
assimilatie. Voor assimilatie is energie nodig, bijvoorbeeld zonlicht bij fotosynthese. Als organismen
weer andere organische stoffen maken van glucose noemen we dat voortgezette assimilatie. We
spreken van dissimilatie als organische stoffen worden afgebroken. Hierbij komt energie vrij,
bijvoorbeeld bij de verbranding van glucose in de mitochondriën. De energie die vrijkomt, kan weer
gebruikt worden voor allerlei andere assimilatieprocessen.
Verbranding kan plaatsvinden met zuurstof (aeroob) of zonder zuurstof (anaëroob). Op veel plaatsen
bevinden zich anaerobe bacteriën, die zonder zuurstof leven. Een sporter die een te grote inspanning
levert, verzuurt. In zijn spieren ontstaat dan melkzuur en dat is giftig. Als het zich ophoopt
(verzuring in je spieren), stopt de beweging en stopt de vorming ervan. Het melkzuur wordt dan door
het bloed naar de lever vervoerd. Daar wordt het, als de aanvoer van zuurstof weer voldoende is,
omgezet in glucose. Melkzuurbacteriën produceren ook melkzuur en dit gebruiken we bij
voedselbereiding.
Gist is een schimmelsoort die zowel aeroob als anaeroob glucose kan dissimileren. Bij de anaerobe
dissimilatie ontstaat er alcohol en koolstofdioxide. Deze vorm van dissimilatie heet alcoholische
gisting. Ethanol bevat nog veel energie. Hierdoor ontstaat er maar weinig ATP bij deze vorm van
dissimilatie.
De cel beschikt over bepaalde stoffen, die zeer geschikt zijn om de energie van het ene proces op het
andere over te dragen. Één daarvan is ATP. Het molecuul ATP (adenosine-tri-phosphate) bevat
bindingen die veel energie bevatten. Bij de splitsing van ATP in ADP komt een fosfaatgroep vrij en
dat levert de cel energie op.
7.3 Autotroof en heterotroof
De drijvende kracht achter alle processen in cellen is uiteindelijk de energie van de zon. Toch kunnen
de meeste organismen deze energie hooguit gebruiken om hun temperatuur op peil te houden. Alleen
organismen met bladgroen, zoals planten, algen en enkele bacteriesoorten (cyanobacteriën) kunnen
het zonlicht ook benutten om van te leven. Ze gebruiken de energie om uit water en koolstofdioxide,
organische stoffen te maken. Het proces waarin ze dit doen heet fotosynthese.
Een kleine groep bacteriën kan leven van de energie uit de oxidatie van energierijke anorganische
verbindingen. Met behulp van die energie maken ze de organische stoffen die ze nodig hebben.