Rechtsvinding week 2
De Graaff 2016
De rechter kan niet altijd terugvallen op duidelijke rechtspraak van het EHRM. Dit is bijvoorbeeld het
geval als een bepaald probleem Straatsburg nog niet heeft bereikt, het Hof geen duidelijk antwoord
heeft gegeven of de nationale autoriteiten een aanzienlijke beoordelingsvrijheid laat. In dergelijke
gevallen rijst de vraag wat het privaatrecht zelf kan betekenen voor de bescherming van grondrechten.
Is er ruimte voor eigen keuzes?
Volgens Gerards is er weinig aandacht voor de vraag hoe de Nederlandse rechter moet omgaan met
de ruimte die de rechtspraak van het EHRM hem laat.
Welke ruimte biedt het EVRM?
Zoals de preambule benadrukt, is het EVRM gericht op de ‘collectieve handhaving’ van
mensenrechten. Het EHRM ziet toe op de naleving van het EVRM en beschermt de daaruit
voortvloeiende mensenrechten – indien nodig – in laatste instantie.
Een arrest van het Hof werkt formeel gezien slechts tussen partijen. De jurisprudentie van het Hof is
uiteraard in bredere zin van belang, aangezien het Hof als hoogste rechter de interpretatie van het
EVRM verduidelijkt en ontwikkelt.
De bescherming van de EVRM-rechten is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de nationale
autoriteiten. Het EVRM speelt een subsidiaire rol. Dit subsidiariteitsbeginsel komt tot uitdrukking op
de volgende wijzen:
1. De wijze waarop het EVRM de verhouding tot de nationale rechtsorde bepaalt;
Het EVRM garandeert een minimumniveau aan grondrechtenbescherming, dat moet worden
nageleefd door de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht. Op nationaal niveau
mag dus aanvullende bescherming worden geboden. Het is niet altijd makkelijk een
minimumniveau te bepalen.
2. De wijze waarop het Hof de verhouding tussen het EVRM en de nationale rechtsorde bepaalt.
Door middel van de margin of appreciation- doctrine wordt aangegeven welke
beoordelingsvrijheid de nationale autoriteiten hebben.
Het hervormingsproces laat zien dat het Hof zich steeds meer is en zal gaan richten op de meest
serieuze en systematische problemen, en op belangrijke vragen van uitleg van het EVRM, en minder
op het bieden van rechtsbescherming in elk individueel geval. Hierdoor wordt het belang van een eigen
invulling en toepassing van het EVRM op nationaal niveau vergroot. Daarbij moet de jurisprudentie
van het Hof uiteraard zoveel mogelijk worden gevolgd. Maar binnen de hiervoor geschetste grenzen
bestaat wel degelijk ruimte. De vraag of, in hoeverre en op welke wijze de Nederlandse rechter gebruik
mag maken van deze ruimte wordt niet beantwoord door het EVRM, maar is een zaak van nationaal
recht.
Welke ruimte biedt het staatsrecht?
Nederland neemt op constitutioneel gebied een unieke plaats in binnen Europa. Bedenk het
toetsingsverbod. In het Harmonisatie-arrest bepaalde hij dat het verbod ook geldt voor toetsing aan
het Statuut en voor en voor toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals het
rechtszekerheidsbeginsel.
1
De Graaff 2016
De rechter kan niet altijd terugvallen op duidelijke rechtspraak van het EHRM. Dit is bijvoorbeeld het
geval als een bepaald probleem Straatsburg nog niet heeft bereikt, het Hof geen duidelijk antwoord
heeft gegeven of de nationale autoriteiten een aanzienlijke beoordelingsvrijheid laat. In dergelijke
gevallen rijst de vraag wat het privaatrecht zelf kan betekenen voor de bescherming van grondrechten.
Is er ruimte voor eigen keuzes?
Volgens Gerards is er weinig aandacht voor de vraag hoe de Nederlandse rechter moet omgaan met
de ruimte die de rechtspraak van het EHRM hem laat.
Welke ruimte biedt het EVRM?
Zoals de preambule benadrukt, is het EVRM gericht op de ‘collectieve handhaving’ van
mensenrechten. Het EHRM ziet toe op de naleving van het EVRM en beschermt de daaruit
voortvloeiende mensenrechten – indien nodig – in laatste instantie.
Een arrest van het Hof werkt formeel gezien slechts tussen partijen. De jurisprudentie van het Hof is
uiteraard in bredere zin van belang, aangezien het Hof als hoogste rechter de interpretatie van het
EVRM verduidelijkt en ontwikkelt.
De bescherming van de EVRM-rechten is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de nationale
autoriteiten. Het EVRM speelt een subsidiaire rol. Dit subsidiariteitsbeginsel komt tot uitdrukking op
de volgende wijzen:
1. De wijze waarop het EVRM de verhouding tot de nationale rechtsorde bepaalt;
Het EVRM garandeert een minimumniveau aan grondrechtenbescherming, dat moet worden
nageleefd door de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht. Op nationaal niveau
mag dus aanvullende bescherming worden geboden. Het is niet altijd makkelijk een
minimumniveau te bepalen.
2. De wijze waarop het Hof de verhouding tussen het EVRM en de nationale rechtsorde bepaalt.
Door middel van de margin of appreciation- doctrine wordt aangegeven welke
beoordelingsvrijheid de nationale autoriteiten hebben.
Het hervormingsproces laat zien dat het Hof zich steeds meer is en zal gaan richten op de meest
serieuze en systematische problemen, en op belangrijke vragen van uitleg van het EVRM, en minder
op het bieden van rechtsbescherming in elk individueel geval. Hierdoor wordt het belang van een eigen
invulling en toepassing van het EVRM op nationaal niveau vergroot. Daarbij moet de jurisprudentie
van het Hof uiteraard zoveel mogelijk worden gevolgd. Maar binnen de hiervoor geschetste grenzen
bestaat wel degelijk ruimte. De vraag of, in hoeverre en op welke wijze de Nederlandse rechter gebruik
mag maken van deze ruimte wordt niet beantwoord door het EVRM, maar is een zaak van nationaal
recht.
Welke ruimte biedt het staatsrecht?
Nederland neemt op constitutioneel gebied een unieke plaats in binnen Europa. Bedenk het
toetsingsverbod. In het Harmonisatie-arrest bepaalde hij dat het verbod ook geldt voor toetsing aan
het Statuut en voor en voor toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals het
rechtszekerheidsbeginsel.
1